Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Hartfalendag: Hartfalenzorg van begin tot eind

Zeist, 26 september 2014

Oct. 4, 2014


Nationale Hartfalendag 2014

Vrijdag 26 september 2014, Hotel Theater Figi, Zeist
 

“Hartfalenzorg van begin tot eind”


Opnieuw vulde de grote zaal van Hotel Theater Figi in Zeist zich met cardiologen, hartfalenverpleegkundigen, huisartsen en andere professionals betrokken bij de zorg van hartfalenpatiënten voor de jaarlijkse Hartfalendag. Prof.dr. Rudolf de Boer (cardioloog, UMC Groningen) heette iedereen welkom op deze multidisciplinaire Hartfalendag, die ‘s ochtends met name medisch georiënteerd zou zijn, en ‘s middags op diverse aspecten van goede zorg in de laatste fase zou ingaan.
 
Dr. Loek van Heerebeek (cardioloog, VUMC Amsterdam) besprak de pathofysiologische verschillen tussen HFpEF (hartfalen met behouden ejectiefractie) en HFrEF (HF met verminderde ejectiefractie). Voor HFrEF is effectieve therapie beschikbaar, maar voor HFpEF ligt behandeling een stuk ingewikkelder. Van Heerebeek ging uitgebreid in op de dysfunctie van het hart bij HFpEF, met name van de rechterkamer. Een goed begrip van deze afwijkingen is belangrijk voor het ontwikkelen van betere therapieën voor HFpEF.
 
Dr. Frank Brouwers (cardioloog, UMC Groningen) behandelde daarna trends in het voorkomen van HFpEF in de tijd. Hoewel de incidentie sinds de jaren ’50 daalt, stijgt de prevalentie door vergrijzing en toegenomen herkenning van de aandoening. Toch blijft het herkennen van HFpEF een uitdaging op basis van de nu bekende risicovariabelen, aangezien biomarkers vooralsnog een beperkt voorspellend vermogen hebben.
 
Prof.dr. Adriaan Voors (cardioloog, UMC Groningen) herhaalde dat er geen evidence-based behandeling is voor HFpEF. Hij besprak therapieën die momenteel worden ingezet om klachten te verlichten, maar waarvan niet is bewezen dat ze effectief zijn bij HFpEF (in tegenstelling tot bij HFrEF). Ook zette hij uiteen welke onderzoeken gaande zijn en met welke middelen patiënten met HFpEF in de toekomst mogelijk behandeld kunnen worden. Helaas concludeerde professor Voors dat de ESC richtlijnen van 2016 zeer weinig zullen afwijken van die van 2012 en 2008. Daarom benadrukte hij het belang van lichaamsbeweging voor HFpEF patiënten, aangezien het simpel, goedkoop en effectief is, mits patiënten het volhouden.
 
Rebecca Abma-Schouten (beleidsadviseur Hartstichting) besprak de resultaten van een onderzoek uitgevoerd door de Hartstichting naar wat hartfalenpatiënten nou eigenlijk vinden van de (eventueel in de toekomst pas) beschikbare behandelingen. Als bij het opzetten van onderzoek rekening wordt gehouden met de perceptie en bijvoorbeeld het kennisniveau van patiënten over een bepaald soort therapie, is de kans groter dat een onderzoek aansluit op de wensen van de patiënt en dus dat het onderzoek succesvol wordt uitgevoerd.
 
Prof.dr. Job Kievit (hoogleraar medische besliskunde, LUMC) beet het spits af in het middagprogramma door te spreken over passende zorg in de laatste levensfase. Hij betoogde dat vaak te lang wordt doorbehandeld. Aan de hand van persoonlijke videogetuigenissen van mensen die een terminaal ziekbed doormaakten liet hij zien dat kwaliteit van leven voor velen belangrijker is dan een einde met veel ziekenhuisbezoek dat in het teken staat van de strijd tegen een ziekte. Een KNMG stuurgroep heeft een rapport geschreven waarin interventies worden aanbevolen die passende zorg in de laatste levensfase, dus soms afzien van medische behandeling, moeten faciliteren.  
Richard Faaij (klinisch farmacoloog/klinisch geriater, Diakonessenhuis Utrecht) drukte een ieder op het hart zich voor te bereiden op de komst van meer ouderen in de klinische praktijk. Comorbiditeiten komen met de jaren. Veroudering maakt een mens uniek, waardoor zorg op maat moet worden aangeboden en aangepast dient te worden in de tijd. Faaij pleit voor het op tijd bespreken en formuleren van zorgdoelen, gezien de onzekere toekomst en mogelijk toekomstige wilsonbekwaamheid. Advance Care Planning biedt een raamwerk voor dit continue proces.
 
Karen Keijsers (klinisch farmacoloog/klinisch geriater, Jeroen Bosch Ziekenhuis ’s Hertogenbosch) hield een gepassioneerd betoog over shared decision making in het zorgproces van ouderen. Middels sprekende, herkenbare voorbeeldsituaties zette ze de zaal aan het denken over de (on)mogelijkheden in de communicatie met oudere patiënten. Ze behandelde een stappenplan dat kan helpen bij de vaak lastige communicatie en besluitvorming over het zorgplan – omdat de patiënt zelf niet meer wilsbekwaam is, of omdat er bijvoorbeeld een dominante dochter meedenkt. Wanneer mogelijk moet de patiënt zelf als eerste gesprekspartner worden benaderd – logisch: maar doen we dit allemaal? Indien de patiënt wilsonbekwaam is, is de levenspartner de eerste vertegenwoordiger van de patiënt; niet de kinderen.
 
Yvonne van Ingen (specialist ouderengeneeskunde, Huisartsenzorg Noord Kennemerland, Alkmaar) sloot de dag af met een presentatie over palliatieve zorg en meer specifiek over de richtlijn ICD en het levenseinde. Deze is geschreven omdat ICDs verstorend kunnen werken op het sterfbed. Deactivatie van een ICD is een precair onderwerp dat zorgvuldig besproken dient te worden. Het is belangrijk dit op verschillende moment in het behandeltraject ter sprake te brengen, en afspraken moeten transmuraal helder zijn. Een stappenplan beschrijft hoe het best te handelen; liefst wanneer patiënt nog mobiel is om stress in de stervensfase te voorkomen, maar ook een noodprocedure wordt beschreven.
 
Gewapend met nieuwe inzichten over HFpEF en geïnspireerd om nog betere zorg te bieden ging een ieder huiswaarts.

Deel deze pagina met collega's en vrienden: