Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Behandeling van het linker hartoor kan langdurig persistent AF afzwakken

ESC - London, 2015

30 aug. 2015 - nieuws


Effect of empirical left atrial appendage isolation on long-term procedure outcome in patients with long-standing persistent atrial fibrillation undergoing catheter ablation: results from the BELIEF     

 
Gepresenteerd op het ESC Congres 2015 door: Luigi Di Biase (New York, USA)
 

Achtergrond

Persistent (PeAF) en langdurig persistent (LSP) AF worden gedefinieerd als aanhoudende AF's die langer duren dan respectievelijk 7 dagen en een jaar. LSP AF is de meest uitdagende vorm van AF om te behandelen met katheterablatie. Verschillende studies hebben aangetoond dat naast het isoleren van de longader (PV), ook andere niet-PV delen de bron kunnen zijn van het starten en voortduren van AF bij patiënten. De meest voorkomende plaatsen zijn: de vena cava superior, het ligament van Marshall, de coronaire sinus, de crista terminalis, de linker atrium achterwand en het linker hartoor.
Het doel van deze gerandomiseerde studie is om te onderzoeken of empirische isolatie van het linker hartoor, samen met de standaardbenadering van isolatie van de longader (PVI, pulmonary vein isolation) en ablatie van extrapulmonale triggers, superieur is aan de standaardbenadering alleen voor het verbeteren van het langetermijnsucces van katheterablatie in patiënten met persistent of langdurig persistent atriumfibrilleren.
De studie includeerde 173 patiënten met LSP AF. De patiënten werden willekeurig gerandomiseerd naar standaardbehandeling alleen (PVI plus ablatie van extrapulmonale triggers, n = 88) of standaardbehandeling plus de toevoeging van linker hartoorablatie (n = 85).
Voor patiënten die niet-recidief vrij waren in beide groepen, werd linker hartoorisolatie uitgevoerd in een tweede procedure.
 

Belangrijkste resultaten

  • Voor het primaire eindpunt van herhaling van AF na een jaar, was 28% van de patiënten op standaardbehandeling recidief-vrij, in vergelijking met 56% van de patiënten die de extra linker hartoor ablatie hadden gekregen (HR 1,92; p = 0,001).
  • Na 24 maanden, na gemiddeld 1,3 procedures, was het cumulatieve slagingspercentage 76% in de linker hartoor ablatie-groep en 56% in de groep die standaardbehandeling kreeg. (HR 2,24; p = 0,003).
  • Bij de follow-up was er geen verschil in complicaties tussen de groepen, waaronder TIA of beroerte, maar de gemiddelde radiofrequentietijd was langer in de linker hartoor groep (93 versus 77 minuten; p <0,001).
  • In multivariate analyse was het niet ondergaan van linker hartoor ablatie geassocieerd met significant hogere herhaling van AF (HR 2,2; p = 0,004).
 

Conclusies

De resultaten van deze gerandomiseerde studie tonen aan dat zowel na één als herhaalde procedures bij patiënten met langdurig persistent AF, de empirische isolatie van het linker hartoor het uitblijven van boezemaritmieën op lange termijn verbetert, zonder toename van complicaties. Toekomstige studies naar de pathofysiologie van deze bevindingen zijn nodig.
 
Dr. Di Biase lichtte in het persbericht toe: “Het is logisch om te suggereren dat het linker hartoor AF kan initiëren net zoals de longaders, omdat embryologisch het linker hartoor groeit uit het oorspronkelijke linker atrium, dat vooral wordt gevormd door de adsorptie van de oorspronkelijke longaders en hun vertakkingen. Een eerder onderzoek van onze groep toonde in feite al aan dat het afvuren door het linker hartoor de bron is van AF in 27% van de patiënten en dat na linker hartoor ablatie, 93% van de patiënten vrij was van AF bij langdurige follow-up.”
Tijdens de persconferentie merkte hij op dat deze studie reden kan zijn om meer mensen te behandelen met een closure device. Zodra sinusritme is bereikt, kan worden overwogen hoe verder te gaan anticoagulantia.

- Onze berichtgeving is gebaseerd op de op het ESC congres verstrekte informatie -

Het ESC Journaal 2015 is mede mogelijk gemaakt door een unrestricted educational grant van MSD.