Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

AF en bradycardie geen verklaring voor uitkomsten in ivabradine-behandelde SIGNIFY patiënten

Fox K et al., Eur Heart J 2015

Bradycardia and atrial fibrillation in patients with stable coronary artery disease treated with ivabradine: an analysis from the SIGNIFY study

 
Fox K, Ford I, Steg PG, et al.
Eur Heart J. 2015 Sep 17. pii: ehv451. [Epub ahead of print]
 

Achtergrond

De SIGNIFY studie bestudeerde het effect van hartslagverlaging met de If remmer ivabradine in patiënten met coronaire arterieziekte zonder klinische hartfalen en met behouden linken ventriculaire functie [1]. Hartslagdaling met ivabradine verminderde het primaire samengestelde eindpunt van CV sterfte en niet-fataal myocardinfarct (MI) niet, wanneer een agressief regime werd gevolgd: startend met 7.5 mg tweemaal daags en optitrerend naar 10 mg tweemaal daags om een hartslag van 55-60 bpm te behalen.
Patiënten met beperkende angina (Canadese CV Society (CCS) klasse >2) lijken slechter te reageren op ivabradine dan op placebo, ten aanzien van uitkomsten. Wel waren er aanwijzingen dat er in patiënten met angina symptomatische verbetering optrad met ivabradinebehandeling.
De meest voorkomende nadelige CV events waren symptomatische en asymptomatische bradycardie en atriumfibrilleren (AF), en deze werden het vaakst gezien in de ivabradinegroep. Deze analyse onderzoekt de rol van bradycardie en AF in de SIGNIFY studie, in gegevens van 19083 patiënten, met een mediane follow-up van 27.8 maanden, om te verkennen of dit de slechtere uitkomsten in deze patiënten kan verklaren.
 

Belangrijkste resultaten

  • In de totale populatie, hadden 3572 (37.2%) patiënten ontwikkelende bradycardie op ivabradine. Onder diegenen bij wie bradycardie werd gemeten, maakten 211 (5.9%, 2.5% per jaar) een primair samengesteld eindpunt door, ten opzichte van 338 patiënten (5.8%, 2.9% per jaar) zonder ontwikkelende bradycardie.
  • 2242 van de patiënten met CCS klasse >2 hadden ontwikkelende bradycardie op ivabradine (37.4%). Van hen hadden 149 patiënten (6.7%, 2.8% per jaar) een primair samengesteld eindpunt, in vergelijking met 243 (6.6%, 3.2% per jaar) in patiënten zonder ontwikkelende bradycardie.
  • In de gehele populatie, werden 754 gevallen van ontwikkelende AF gezien (438 op ivabradine: 4.6% of 2.2% per en 316 op placebo: 3.3% of 1.5% per jaar, P<0.001). In diegenen bij wie ontwikkelende AF was gemeten op ivabradine, maakte 14% (10.9% per jaar) een primair samengesteld eindpunt door, ten opzichte van patiënten met ontwikkelende AF op placebo (13.9%, 11.2% per jaar). Fatale en niet-fatale stroke nadat ontwikkelende AF was gemeten kwam voor in respectievelijk 4.6% en 4.2% in de ivabradine- en placebogroepen.
  • In patiënten met CCS klasse >2 angina, hadden 469 patiënten ontwikkelende AF, van wie 277 op ivabradine (4.6%, 2.2% per jaar) en 102 op placebo (3.2%, 1.5% per jaar). In deze patiënten, trad het primair samengesteld eindpunt op na ontwikkelende AF in 15.2% (11.5% per jaar) van de patiënten op ivabradine en in 13.5% (10.8% per jaar) op placebo.
  • Er werd geen verschil gezien in de frequentie van het primaire samengestelde eindpunt in patiënten met beperkende angina tussen behandelingen en tussen groepen met of zonder ontwikkelende AF.
 

Conclusie

De frequentie waarmee ontwikkelende bradycardie werd gemeten was groter in de SIGNIFY studie dan eerder beschreven voor behandeling met ivabradine, maar dit was volgens verwachting gezien het agressievere behandelregime. De huidige resultaten geven geen aanwijzingen dat ontwikkelende bradycardie (<50 bpm op rust ECG) is geassocieerd met nadelige CV uitkomsten (CV sterfte of niet-fataal MI). Hoewel de uitkomst van patiënten die AF ontwikkelden slechter was dan diegenen voor wie dit niet gold, was dit niet afhankelijk van het soort behandeling dat ze kregen.
 
Vind dit artikel online bij Eur Heart J
 

Referenties

1. Fox K, Ford I, Steg PG, et al.. Ivabradine in stable coronary artery disease without clinical heart failure. N Engl J Med 2014;371:1091–1099.