Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Een derde van AF patiënten krijgt alleen aspirine in plaats van orale antistolling

Hsu JH et al., J Am Coll Cardiol 2016

 
Aspirin Instead of Oral Anticoagulant Prescription in Atrial Fibrillation Patients at Risk for Stroke

 
Hsu JH, Maddox TM, Kennedy K, et al.
J Am Coll Cardiol 2016;67:291323
 

Achtergrond

Patiënten met atriumfibrilleren (AF) hebben risico op stroke en het individuele risico kan bepaald worden met de CHADS2 en CHA2DS2-VASc risicoscores [1-3]. Het is aangetoond dat patiënten met AF baat hebben bij antistollingstherapie [4,5] en dat het gebruik van aspirine in deze situatie minder effectief is [6]. Ondanks deze data worden patiënten met AF die risico hebben op stroke veel minder vaak behandeld met antistollingstherapie dan wordt aanbevolen [7], maar krijgen ze alleen aspirine of antiplaatjestherapie met of zonder antistollingsmiddelen.
 
In deze studie zijn de prevalentie en voorspellende factoren voor aspirine monotherapie vergeleken met die van orale antistollingstherapie (OACs). Dit werd gedaan onder AF patiënten die poliklinisch bij de cardiovasculaire specialist kwamen. Deze bestond uit twee cohorten met patiënten die matig of hoog risico op stroke hadden (CHADS2/CHA2DS2VASc score ≥2, n=310.380 en n=294.642).
 

Belangrijkste resultaten

  • Respectievelijk 38.2% en 40.2% van de patiënten met een CHADS2 en CHA2DS2VASc score ≥2 kreeg aspirine monotherapie en respectievelijk 61.8% en 59.8% kreeg warfarine of OAC.
  • Patiënten kregen tegelijkertijd naast aspirine vaker ook thienopyridine (voornamelijk clopidogrel) dan dat patiënten zonder aspirine thienopyridine kregen.
  • De combinatie antiplaatjestherapie, aspirine, thienopyridine kwam veel minder vaak voor in patiënten die OAC kregen dan in patiënten die aspirine kregen (5.7% voor CHADS2 en 6.0% voor CHA2DS2VASc score  ≥2).
  • Van de patiënten die antistollingstherapie kregen, kregen de patiënten die OACs voorgeschreven kregen tegelijkertijd ook vaak antiplaatjestherapie, vergeleken met patiënten die warfarine kregen voorgeschreven.
  • Een multivariabele analyse liet zien dat patiënten die aspirine monotherapie kregen vaker hypertensie, dyslipidemie, coronaire hartziekte, eerdere MI, instabiele en stabiele angina, recentelijke bypass operatie en perifere slagaderziekte hadden.
  • Een multivariabele analyse liet zien dat patiënten die OACs kregen vaker mannelijk waren en geassocieerd waren met een hoog BMI, eerdere stroke/TIA, eerdere systemische embolie en congestief hartfalen.

Conclusie

Een derde van de patiënten met AF en een matig tot hoog risico op stroke, krijgen aspirine monotherapie. Dit wordt gedaan ondanks het ontbreken van data die baat van aspirines ondersteunen. In deze studie waren factoren geïdentificeerd die het voorschrijven van aspirine voorspelden. De belangrijkste was de aanwezigheid van atherosclerose gerelateerde comorbiditeiten. Deze resultaten suggereren dat er behoefte is aan verbetering van een juiste voorschrijving van OAC’s in patiënten met AF.
 
Vind deze publicatie online op JACC
 

Referenties

1. Go AS, Hylek EM, Phillips KA, et al. Prevalence of diagnosed atrial fibrillation in adults: national implications for rhythm management and stroke prevention: the AnTicoagulation and Risk Factors in Atrial Fibrillation (ATRIA) study. JAMA 2001;285:2370–5.
2. Gage BF, Waterman AD, Shannon W, et al. Validation of clinical classification schemes for predicting stroke: results from the National Registry of Atrial Fibrillation. JAMA 2001;285: 2864–70.
3. Lip GYH, Nieuwlaat R, Pisters R, et al. Refining clinical risk stratification for predicting stroke and thromboembolism in atrial fibrillation using a novel risk factor-based approach: the Euro Heart Survey on Atrial Fibrillation. Chest 2010;137:263–72.
4. Hart RG, Pearce LA, Aguilar MI. Meta-analysis: antithrombotic therapy to prevent stroke in patients who have nonvalvular atrial fibrillation. Ann Intern Med 2007;146:857–67.
5. Connolly SJ, Ezekowitz MD, Yusuf S, et al., RE-LY Steering Committee and Investigators. Dabigatran versus warfarin in patients with atrial fibrillation. N Engl J Med 2009;361:1139–51.
6. Aguilar MI, Hart R, Pearce LA. Oral anticoagulants versus antiplatelet therapy for preventing stroke in patients with non-valvular atrial fibrillation and no history of stroke or transient ischemic attacks. Cochrane Database Syst Rev 2007;(3). CD006186.
7. Chan PS, Maddox TM, Tang F, et al. Practicelevel variation in warfarin use among outpatients with atrial fibrillation (from the NCDR PINNACLE program). Am J Cardiol 2011;108:1136–40.