Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Bepaalde sporten geassocieerd met minder sterfte

Oja P, et al, Br J Sports Med, 2016

Associations of specific types of sports and exercise with all-cause and cardiovascular-disease mortality: a cohort study of 80 306 British adults


Oja P, Kelly P, Pedisic Z, et al.
Br J Sports Med 2016; published online ahead of print
 

Achtergrond

Er is aangetoond dat fysieke activiteit geassocieerd is met een verlaging van sterfte door alle oorzaken [1,2]. De associatie met specifieke sportdisciplines is echter nog niet duidelijk [3,4].
 
In deze studie zijn onafhankelijke associaties tussen populaire takken van sport/beweging en sterfte door alle oorzaken of cardiovasculaire (CV) sterfte geëvalueerd in een gepoolde analyse van 10 algemene populatiecohorten bestaande uit 80.306 volwassenen uit Engeland en Schotland met een gemiddelde leeftijd van 52 jaar. Daarnaast werden de blootstelling-respons eigenschappen van deze associaties bestudeerd. Patiënten werden gemiddelde 9.2 jaar gevolgd, waarin 8790 sterftegevallen voorkwamen. De meest frequente sport/bewegingsactiviteit waren zwemmen, fietsen, aerobics, hardlopen, racketsport en voetbal.
 

Belangrijkste resultaten

Vergeleken met het niet deelnemen aan sportactiviteiten, toonde een multivariate analyse met betrekking tot de associatie tussen specifieke sporten en risico op sterfte door alle oorzaken of  CV sterfte dat:
  • Fietsen was geassocieerd met een significant verlaagd risico van 15% op sterfte door alle oorzaken (HR: 0.85; 95% CI: 0.76 - 0.95), maar niet met een verlaagd risico op CV sterfte (HR: 0.93; 95% CI: 0.76 - 1.16).
  • Zwemmen was geassocieerd met een significant verlaagd risico van 28% op sterfte door alle oorzaken (HR: 0.72; 95% CI: 0.65 - 0.80) en met een significant verlaagd risico van 41% op CV sterfte (HR: 0.59; 95% CI: 0.46 - 0.75).
  • Hardlopen niet was geassocieerd met een significant verlaagd risico op sterfte door alle oorzaken (HR: 0.87; 95% CI: 0.68 - 1.11), noch met een significant verlaagd risico op CV sterfte (HR: 0.81; 95% CI: 0.47 - 1.39).
  • Voetbal niet was geassocieerd met een significant verlaagd risico op sterfte door alle oorzaken (HR: 0.82; 95% CI: 0.61 - 1.11), noch met een significant verlaagd risico op CV sterfte (HR: 0.90; 95% CI: 0.49 - 1.64).
  • Racketsport was geassocieerd met een significant verlaagd risico van 47% op sterfte door alle oorzaken (HR: 0.53; 95% CI: 0.40 - 0.69) en met een significant verlaagd risico van 56% op CV sterfte (HR: 0.44; 95% CI: 0.24 - 0.83).
  • Aerobics was geassocieerd met een significant verlaagd risico van 27% op sterfte door alle oorzaken (HR: 0.73; 95% CI: 0.63 - 0.85) en met een significant verlaagd risico van 36% op CV sterfte (HR: 0.64; 95% CI: 0.45 - 0.92).
Dosis-respons relaties waren variabel voor de verschillende sportdisciplines.
 

Conclusie

In een gepoolde analyse van 10 algemene populatiecohorten in Engeland en Schotland, waren significante verlagingen van sterfte door alle oorzaken en CV sterfte gezien bij personen die zwommen, aan racketsport of aan aerobics deden, en tevens verlagingen van sterfte door alle oorzaken bij personen die fietsten. Deze data ondersteunen dat clinici mensen moeten motiveren om deel te nemen aan bepaalde sporten.
 
Vind deze publicatie online op Br J Sports Med
 

Referenties

1. Samitz G, Egger M, Zwahlen M. Domains of physical activity and all-cause mortality: systematic review and dose-response meta-analysis of cohort studies. Int J Epidemiol 2011;40:1382–400.
2. US Department of Health and Human Services. Physical Activity Guidelines Advisory Committee. Physical Activity Guidelines Advisory Committee Report. Washington, DC: 2008:683.
3. Oja P, Titze S, Kokko S, et al. Health benefits of different sport disciplines for adults: systematic review of observational and intervention studies with meta-analysis. Br J Sports Med 2015;49:434–40.
4. De Bourdeaudhuij I, Van Cauwenberghe E, Spittaels H, et al. School-based interventions promoting both physical activity and healthy eating in Europe: a systematic review within the HOPE project. Obes Rev 2011;12:205–16.