Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

NVIVG | Het verbeteren van de therapietrouw: meten is weten

7 sept 2018 - Dr. Erik van Maarseveen

Patiënten beweren vaak trouw hun medicatie in te nemen, maar zijn patiënten echt therapietrouw? En als zij dit niet zijn, hoe kunnen we dat dan aantonen? Aan de hand van een casus legde dr. Van Maarseveen uit hoe hij therapie(on)trouw aantoont in zijn laboratorium. De casus betrof een patiënt met hypertensie, T2DM, renale denervatie en drie verschillende medical devices. Deze persoon lijkt de medicatie voor hypertensie en CVD te slikken.

Van Maarseveen legde uit dat de arts in deze situatie altijd CVD medicatie voorschrijft (100%) aan de hand van richtlijnen, maar in de praktijk blijkt dat 12% van de patiënten de medicatie niet ophaalt bij de apotheek, 12% vervolgens niet start en ook nog eens 29% halverwege stopt met de medicatie. Hoewel veel patiënten aangeven de medicatie trouw te slikken, blijkt dus slechts de helft van de patiënten dit ook daadwerkelijk te doen. Ondanks inzet van vele herinneringstools verandert dit aandeel niet. De gouden standaard voor therapietrouw meten bestaat momenteel uit vragenlijsten, die vaak erg subjectief zijn. Dus hoe kunnen we objectief meten of een patiënt therapietrouw is of niet?

De oplossing is massaspectrometrie, waarmee specifieke ionen opgespoord kunnen worden in serumsamples door de lading en massa te meten. Hiermee is voor het eerst een objectieve maat beschikbaar om therapietrouw te kwantificeren. Met deze techniek is al aangetoond dat bij respectievelijk 26% en 34% van de patiënten geen of minder dan de helft van het aantal voorgeschreven antihypertensiva wordt gemeten [3]. Als alle patiëntgegevens op een hoop worden gegooid, worden studieresultaten van bloeddrukverlagende therapieën dus vertroebeld door de patiënten die niet therapietrouw zijn.

Van Maarseveen legt uit dat in het UMCU men met behulp van massaspectrometrie al 52 antihypertensiva heeft kunnen aantonen in serumsamples, en niet alleen of de component aanwezig is, maar ook in welke hoeveelheid. Deze concentratie wordt gedeeld door de gemiddelde populatie dalspiegel (Cr) om een betrouwbare uitkomst te krijgen. In de casus scoort de patiënt negatief op alle samples en hij geeft later aan inderdaad niet zijn medicatie te slikken. Deze patiënt komt dus niet in aanmerking voor een vierde medical device en zal eerst zijn medicatie moeten innemen.

Voor massaspectrometrie is slechts een klein monster EDTA-bloed nodig en binnen <2 weken is de uitslag al bekend. Kortom, massaspectrometrie is een waardevolle tool die op korte termijn kan achterhalen of een patiënt therapietrouw is. Van Maarseveen: ‘’We weten nu hoe we therapietrouw kunnen meten in therapieresistente hypertensie, maar hoe we patiënten zover krijgen om medicatie juist in te nemen blijft nog een uitdaging. We streven ernaar om deze tool uit te breiden naar de detectie van anti-diabetische en antiplaatjes medicatie’’.

Tijdens de discussie werd de vraag gesteld waarom massaspectrometrie alleen uitgevoerd kan worden met serumsamples, en bijvoorbeeld niet met urinesamples. Van Maarseveen legde uit dat de concentratie van metabolieten in urine veel minder zegt. Metabolieten hebben een halfwaardetijd, waardoor concentraties op langere termijn niet altijd de werkelijkheid reflecteren. Daarbij spelen factoren als veel versus weinig drinken mee, die de concentratie in de urine kunnen veranderen.

Referenties

Toon referenties

Faculty

dr. Erik van Maarseveen (klinisch farmacoloog, UMCU, Utrecht)

Bekijk de slides