Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

NVIVG | Richtlijn hypertensie in de tweede en derde lijn (in aanvulling op richtlijn CVRM)

7 sept 2018 - Dr. Ronne Mairuhu

Dr. Mairuhu trapte het NVIVG symposium af met de net gepubliceerde richtlijn voor hypertensie in de tweede- en derdelijnszorg. De huidige multidisciplinaire richtlijn CVRM is goed bruikbaar voor de eerstelijns zorg, maar er miste nog een richtlijn ten aanzien van therapieresistente en secundaire hypertensie in de tweede- en derdelijnszorg. Mairuhu besprak het concept lifetime risico op cardiovasculaire (CV) complicaties, evenals suggesties voor behandeling en organisatie van zorg uit de nieuwe richtlijn voor hypertensie.

Een model voor lifetime risico op cardiovasculaire ziekte (CVD) kan bijdragen aan de behandelkeuze voor een patiënt. Deze modellen laten zien dat jongere hypertensiepatiënten meer levensjaren verliezen zonder CV comorbiditeiten dan oudere patiënten en dat het lifetime risico afhankelijk is van de hoogte van de bloeddruk[1,2]. In de nieuwe richtlijn wordt dan ook aanbevolen om de langetermijnrisico’s op CVD te bespreken met jonge hypertensiepatiënten, evenals de voor- en nadelen van medicamenteuze behandeling (die jaarlijks wordt heroverwogen) ten aanzien van kwaliteit van leven. Deze nieuwe richtlijn is in overeenstemming met de nieuwe 2018 ESC/ESH richtlijn voor de behandeling van arteriële hypertensie, waarin staat beschreven dat het verstandig is om patiënten met een bloeddruk van >140/90 mmHg te behandelen met bloeddrukverlagende middelen, met een target bloeddruk van ≤130/80 mmHg in jongere patiënten.

Voor de behandeling van therapieresistente hypertensie beveelt de nieuwe richtlijn aan om zoutinname te beperken tot maximaal 87 mmol (2g) per dag, een van de drie medicamenten voor het slapen gaan in te laten nemen voor een verlaagde nachtelijke bloeddruk en om een aldosteronantagonist (spironolacton) in lage dosering van 25-50 mg eenmaal daags toe te voegen. Dit is in overeenstemming is met de 2018 ESC/ESH richtlijnen. Ook noemt de nieuwe richtlijn de optie om deze patiënten te behandelen met een baroreflex-activatietherapie.

De laatste jaren heeft veel kennisontwikkeling in de zorg plaatsgevonden, met meer specialistische zorg. De richtlijn beveelt aan om de zorgketen opnieuw vorm te geven, met preconsultatie bij voor de eerstelijns herkenbare hypertensiespecialisten. Voor een hypertensiekliniek in de tweede lijn wordt de aanwezigheid aanbevolen van een hypertensiespecialist, een in hypertensie geschoolde verpleegkundig specialist, en ambulante en thuisbloeddrukmeetfaciliteiten. Ook moeten apothekers nauw worden betrokken om aflevergegevens van medicatie van patiënten op te vragen bij een vermoeden op therapieontrouw.

Tijdens de discussie werd de vraag gesteld of de richtlijn zich ook richt op jonge, zwangere vrouwen in het bijzonder, waarop Mairuhu antwoordde dat deze groep momenteel nog niet is opgenomen in de richtlijn. Maar een systolische bloeddruk (SBP) >160 mmHg geeft aanleiding in deze groep om te behandelen, en daarbij zijn additionele risicofactoren een goede reden voor risicoschatting. Duidelijke communicatie en afspraken tussen gynaecoloog en huisarts zijn essentieel, waarbij eerstelijnszorg wordt meegenomen in beslissingen. In de toekomst zal de richtlijn dan ook moeten worden uitgebreid met aanbevelingen voor deze patiëntgroep.

Referenties

Toon referenties

Faculty

Dr. Ronne Mairuhu (internist-vasculair geneeskundige, HagaZiekenhuis, Den-Haag)

Bekijk de slides