Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Meerderheid van patiënten behoeft meerdere antihypertensiva om streefbloeddruk te behalen

Bakris et al., J Am Soc Hypertens. 2013 - J Am Soc Hypertens. 2013 Dec 2


Review of blood pressure control rates and outcomes

 
Bakris G, Sarafidis P, Agarwal R, Ruilope L.
J Am Soc Hypertens. 2013 Dec 2. doi: 10.1016/j.jash.2013.07.009. [Epub ahead of print]
 

Achtergrond

Gegevens van de National Health and Nutritional Examination Survey (NHANES) van 2007 tot en met 2010 lieten zien dat 77.9 miljoen volwassen in de Verenigde Staten (33.0%) hypertensie hebben. 81.5% van hen waren zich bewust van hun conditie. Terwijl 74.9% van deze individuen behandeling kreeg, had 52.5% de bloeddruk onder controle, maar 47.5% had dit niet [1]. Van de prevalentie van hypertensie wordt verwacht dat deze zal stijgen. Effectieve daling van bloeddruk is geassocieerd met reductie van het cardiovasculair (CV) risico en met minder cerebrovasculaire events en gerelateerde morbiditeit en mortaliteit [2].
De meeste patiënten (~75%) hebben combinatietherapie nodig, en sommigen (~25%) hebben drie antihypertensieve middelen nodig om de bloeddruk voldoende te verlagen [3,4]. NHANES data suggereren dat 12.8% van de Amerikaanse hypertensiebehandelde bevolking aan de criteria voldoet voor resistente hypertensie (BP>140/90 mmHg ondanks gebruik van drie antihypertensieve middelen uit drie verschillende klassen, of vier of meer antihypertensieve medicijnklasses ongeacht bloeddruk) [5].
Eerder studies, inclusief de Cardiac Arrhythmia Suppression Trial (CAST), hebben twijfels opgeroepen ten aanzien van de kracht van het concept om surrogaat biomarker eindpunten te gebruiken ter vervanging van klinische CV eindpunten in fase III studies [6,7]. Dit review beoogde een literatuuronderzoek te doen van uitkomstenstudies die zijn gepubliceerd na CAST, om het percentage patiënten te bepalen dat behandeld is voor hypertensie die bloeddrukstreefwaarden hebben behaald in CV uitkomstenstudies. 28 studies werden geïncludeerd in dit literatuuroverzicht, accumulerend tot gegevens van 226877 patiënten.
 

Belangrijkste resultaten

  • Twaalf actieve comparatorstudies rapporteerden de proportie van patiënten die een vooraf gespecificeerde office-streefbloeddruk behaalden (in tien studies deze was <140/90 mmHg). Het behalen van de streefbloeddruk varieerde van 45% tot 75.4% (zie artikel voor details van alle onderzochte studies).
  • In veel studies waren meerdere antihypertensieve behandelingen nodig om bloeddrukbeheersing te bereiken.
  • De placebogecontroleerde studies lieten significant gunstige effecten van antihypertensieve behandeling zien ten opzichte van placebo, in het verlagen van het risico op primaire CV uitkomsten, inclusief fatale en niet-fatale beroerte, myocardinfarct, CV sterfte en andere CV events.
  • In de actieve comparatorstudies werden verschillende klassen van antihypertensiva getest, en zij lieten CV voordeel zien, inclusief ten aanzien van risicoreductie van fatale/niet-fatale beroerte, fatale/niet-fatale myocardinfarct, hartfalen, CV sterfte, coronaire hartziekte en totale CVD morbiditeit/mortaliteit.
  • Geen significant hogere incidentie van nadelige events werd opgemerkt voor ofwel monotherapie ofwel combinatietherapie. Echter, studies met een lagere streefbloeddruk hadden meer medicatie nodig om dit doel te bereiken, en in deze studies werden meer complicaties gerapporteerd, ten opzichte van studies met een hogere streefbloeddruk en minder intensieve therapie. Geen van de studies rapporteerde nadele events die het gebruik van combinatietherapie om bloeddrukbeheersing te verbeteren, zouden ontmoedigen.
 

Conclusie

Dit literatuuroverzicht laat zien dat de meerderheid van de patiënten meer dan één en vaak zelfs drie antihypertensieve middelen nodig hebben om de bloeddruk onder controle te krijgen. Richtlijnen zijn geëvolueerd in de afgelopen decennia richting het aanbevelen van combinatietherapie, in plaats van behandeling met een enkel middel. Inderdaad verbetert de combinatietherapeutische benadering het potentieel om de bloeddruk op tijd te beheersen, zonder de incidentie van complicaties te verhogen.
 
Klik door naar dit artikel op Pubmed
 

References

1. Go AS, Mozaffarian D, Roger VL, Benjamin EJ, Berry JD, Borden WB, et al. Heart disease and stroke statistics - 2013 update - a report from the American Heart Association. Circulation 2013;127:143–52.
2. Mancia G, Laurent S, Agabiti-Rosei E, Ambrosioni E, Burnier M, Caulfield MJ, et al. Reappraisal of European guidelines on hypertension management: a European Society of Hypertension Task Force document. Blood Press 2009;18:308–47.
3. Gradman AH, Basile JN, Carter BL, Bakris GL. Combination therapy in hypertension. J Am Soc Hyper- tens 2010;4:42–50.
4 Gradman AH. Strategies for combination therapy in hypertension. Curr Opin Nephrol Hypertens 2012;21: 486–91.
5. Persell SD. Prevalence of resistant hypertension in the United States, 2003-2008. Hypertension 2011;57: 1076–80.
6. Echt DS, Liebson PR, Mitchell LB, Peters RW, Obias- Manno D, Barker AH, et al. Mortality and morbidity in patients receiving encainide, flecainide, or placebo. The Cardiac Arrhythmia Suppression Trial. N Engl J Med 1991;324:781–8.
7. Tardif JC, Heinonen T, Orloff D, Libby P. Vascular biomarkers and surrogates in cardiovascular disease. Circulation 2006;113:2936–42.