Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Experimentele HF-behandelingen: niet-coderende RNAs, mitoprotectieve therapie

Werkgroep Hartfalen Voorjaar 2014

Nieuws - June 16, 2014

 
Leden van de werkgroep hartfalen gaven tijdens de ESC Heart Failure – Review & Perspectives een overzicht van nieuwe ontwikkelingen rondom hartfalen, gepresenteerd op de ESC Heart Failure meeting in Athene (17-20 mei 2014). Dr. BD Westenbrink (Universitair Medisch Centrum Groningen) vatte de ontwikkelingen in de basale en translationele research samen.

Er wordt momenteel veel onderzoek gedaan naar de rol van microRNAs (miRNAs): niet-coderende RNA-moleculen met een belangrijke transcriptieregulerende functie. Zo’n 40 miRNAs blijken cardiomyocytproliferatie te induceren. Hiervan blijkt geprofiteerd te kunnen worden, wan miR 590 en 199-a beperkten infarctgrootte in muizenstudies (Eulalio et al. Nature 490: 372). In een andere studie werd verhoogde expressie van miRNA 195 in verband gebracht met pathologische hypertrofie (Chudinovskikh et al): een interessante hypothesegenererende bevinding.

Er zijn ook long non-coding RNAs (lncRNAs), waarover totnogtoe veel minder bekend is. De Franse onderzoekers Zangrando et al. zochten differentieel tot expressie komende lncRNAs en vonden dat de zogenoemde MI-related transcripts (MIRT) 1 en 2 sterk gecorreleerd waren met ejectiefractie en andere markers voor remodelling. In de toekomst horen we hier wellicht meer van.

Een recente publicatie van Nowbar en collega’s in BMJ liet een sterke correlatie zien tussen het aantal discrepanties in onderzoeksrapportage en de gerapporteerde effectgrootte bij beenmergstamcel (BMSC) therapie bij hartfalen. Het gebruik van BMSCs lijkt voorlopig dus tegen te vallen. Mogelijk kan dit worden verklaard doordat de factoren die zorgen dat BMSCs blijven plakken (homing) vroeg na een hartinfarct tot expressie komen, zoals SDF-1, terwijl de stamcellen pas later arriveren. In de STOP-HF studie werd deze hypothese getest, door SDF-1 middels plasmiden toe te dienen. Twee doseringen werden getest, waarbij de hoogste dosering een overtuigende trend naar verbetering liet zien.

Mitoprotectieve therapie is een andere behandelstrategie die wordt getest, in een poging mitochondriële functie te verbeteren. Bij hartfalen produceren de mitochondriën meer reactieve zuurstofspecies (ROS), wat ertoe leidt dat er minder ATP wordt geproduceerd. BENDAVIA verminderde ROS en verbeterde mitochondriale en LV functie in honden (Sabah et al).
In patiënten met een ejectiefractie <35% en een smal QRS complex, bij wie CRT niet werkt, werd modulering van cardiale contractiliteit getest. Met een device wordt een impuls gegeven in de refractaire periode, die niet leidt tot depolarisatie. Hoe het werkt is onduidelijk, maar de contractiliteit van het hart verbeterde met dit device. De overleving bleek in een observationele studie (Abrahams et al.) beter dan verwacht op basis van risicoscores.

Ook devices voor HFpEF worden getest, zoals een interatriale shunt. In schapen gaf dit inderdaad verbetering van de linker atriale druk. Ook werd een verbetering van het klachtenpatroon (NYHA) gezien, dus wellicht heeft dit device een rol in palliatieve setting.

Gezien het huidige gebrek aan een curriculum voor HF-specialisten in Nederland en Europa, ondanks de complexiteit van de behandeling, werd een Hartfalen Trainingsprogramma voorgesteld, dat is beschreven in het European Journal of Heart Failure (McDonnagh et al.). Voor diegenen voor wie dit te laat komt, is er ook de postgraduate course, die als opmaat gezien kan worden richting een nieuwe invulling in Nederland.

Deel deze pagina met collega's en vrienden: