Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Statines hebben mogelijk pro-calcificerend, stabiliserend effect op atheromaplaque

Puri et al., J Am Coll Cardiol. 2015

Impact of Statins on Serial Coronary Calcification During Atheroma Progression and Regression


Puri R, Nicholls SJ, Shao M, et al.,
J Am Coll Cardiol. 2015 Apr 7;65(13):1273-82. doi: 10.1016/j.jacc.2015.01.036
 

Achtergrond

In de laatste Amerikaanse richtlijnen wordt hoge-intensiteit statinetherapie (HIST) aanbevolen in alle individuen met bekende atherosclerosis, onafhankelijk van hun baseline lipoproteïneniveaus [1], aangezien statines atherosclerose en het aantal cardiovasculaire events kunnen verminderen.
Coronaire arteriecalcificatie (CAC) scoren met computed tomography (CT) wordt gezien als een betrouwbare surrogaatmaat voor coronair atheromavolume, en CAC bij baseline is sterk geassocieerd met incidente CV events [2]. Het kan worden gepostuleerd dat de effecten van statinetherapie op zowel de plaque als op zijn calciumcomponent overeenstemmen. Eerdere seriële CT evaluaties van het effect van statines op CAC hebben echter conflicterende resultaten opgeleverd.
Mechanistische studies hebben in vitro mogelijke pro-calcificerende effecten van statines aangetoond [3]. Deze studie werd uitgevoerd om de hypothese te testen dat statinetherapie geassocieerd is met concordante veranderingen van zowel coronair atheromavolume en plaquecalcificatie, door gebruik te maken van seriële coronaire intravasculaire ultrasound (IVUS). De geobserveerde veranderingen werden vergeleken tussen patiënten die HIST krijgen, lage-intensiteit statinetherapie (LIST) of niet-statinetherapie. Patiënten die deelnamen aan één van acht klinische IVUS studies (REVERSAL, SATURN, AQUARIUS, NORMALIZE, ACTIVATE, ILLUSTRATE, STRADIVARIUS, PERISCOPE) werden geïncludeerd.
 

Belangrijkste resultaten

  • Na follow-up, hadden patiënten op HIST de laagste LDL-c niveaus (70.8+26 mg/dL vs. 119.5 +34 mg/dL at baseline), ten opzichte van diegenen op LIST (89.1+25 mg/dl) en de niet-statinegroep (107.2+31 mg/dL). Niet-HDL cholesterol, triglyceride en CRP niveaus waren ook het laagst in patiënten op HIST bij follow-up.
  • De HIST groep liet significant lager procentueel atheromavolume (PAV) zien bij baseline dan de LIST en niet-statine groep. Bij follow-up, liet de HIST groep significante PAV regressie vanaf baseline zien (-0.6+0.1%, P<0.001), terwijl de LIST en niet-statine groepen beide significante PAV progressie lieten zien (0.8+0.1% and 1.0+0.1%, P<0.001 vanaf baseline, respectievelijk).
  • TAV regressie vanaf baseline werd gezien in zowel de HIST als LIST groepen (-6.6+0.6 mm3 en -2.1+0.6 mm3, P<0.001), en progressie in de niet-statine groep (3.0+0.7 mm3, P<0.001).
  • Alle behandelgroepen lieten significante progressie van coronaire calcium zien, gemeten als verandering in de Calcium Index (CaI, HIST: 0.044 [0.0-0.12], LIST: 0.038 [0.0-0.11], niet-statine: 0.02 [0.0-0.10], P<0.001 voor alle groepen).
    In een PAV-gecorrigeerd model lieten beide statinebehandelde groepen een significant grotere verandering in CaI zien dan de niet-statine groep.
  • Patiënten met plaqueprogressie hadden een algemene verandering van +2.7+0.05% in PAV en +7.5+0.5 mm3 in TAV, terwijl niet-progressors/regressors algemeen een -2.2+0.06% in PAV en -13.1+0.5 mm3 in TAV lieten zien. Verandering in CaI waren significant groter in diegenen met plaqueprogressie (0.045 [0.00-0.12]) dan in nietprogressors/regressors (0.034 [0.00-0.11], onafhankelijk van correctie voor veranderingen in PAV or TAV.
  • Er warden geen significante correlaties geobserveerd tussen HIST-gemedieerde veranderingen in lipoproteïnes of CRP niveaus en veranderingen in CaI, noch tussen deze aspecten in patiënten niet op statines. 

Conclusie

In deze studie liet seriële coronaire IVUS de significante procalcificerende effecten van zowel HIST als LIST zien, evenals de calcificerende aard van atheromaprogressie  in patiënten die niet met statines worden behandeld. Deze analyse laat een dominante invloed van statines op veranderingen in plaquecalcificatie zien, onafhankelijk van netto plaqueprogressie of -regressie. De grootste toename van calcium werd gezien in patiënten op HIST die ook significante plaqueregressie lieten zien, terwijl statinenaïeve patiënten de kleinste stijging van plaquecalcificatie lieten zien, gepaard gaand met atheromaprogressie. De mogelijke procalcificerende effecten van statines zijn consistent met potentiële plaquestabiliserende effecten, naast hun effect op atheromavolume.
 
Vind dit artikel online bij JACC
 

Referenties

1. Stone NJ, Robinson JG, Lichtenstein AH, et al. 2013 ACC/AHA guideline on the treatment of blood cholesterol to reduce atherosclerotic cardiovascular risk in adults: a report of the American College of Cardiology/American Heart Association Task Force on Practice Guidelines. J Am Coll Cardiol 2014;63:2889–934.
2. Detrano R, Guerci AD, Carr JJ, et al. Coronary calcium as a predictor of coronary events in four racial or ethnic groups. N Engl J Med 2008;358: 1336–45.
3. Trion A, Schutte-Bart C, Bax WH, et al. Modulation of calcification of vascular smooth muscle cells in culture by calcium antagonists, statins, and their combination. Mol Cell Biochem 2008;308:25–33.