Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Na acuut myocardinfarct hebben de meeste, maar niet alle vrouwen, een betere prognose dan mannen

Redfors et al., J Am Heart Assoc. 2015

 
Trends in Gender Differences in Cardiac Care and Outcome After Acute Myocardial Infarction in Western Sweden: A Report From the Swedish Web System for Enhancement of EvidenceBased Care in Heart Disease Evaluated According to Recommended Therapies (SWEDEHEART)

 
Björn Redfors, Oskar Angerås, Truls Råmunddal, et al.
J Am Heart Assoc. 2015;4:e001995. Originally published July 14, 2015
 

Achtergrond

Vrouwen laten een decennialange vertraging zien van de start van klinische CV aandoeningen, dus lijken zij een biologische bescherming te hebben voor coronaire arterieziekte [1]. Sommige rapporten over mortaliteit na een acuut myocardinfarct (AMI) doen vermoeden dat vrouwen een minder effectieve daling laten zien dan die bij mannen is gezien de afgelopen decennia [2-6]. Het is op dit moment onderwerp van discussie of seksespecifieke verschillen bestaan in klinisch beloop, diagnose en management van ischaemische hartziekte, en of een verandering in klinisch handelen dit kan veranderen.
Het Zweedse nationale medische en kwaliteit van de gezondheidszorg register SWEDEHEART [7], die geïndividualiseerde data bevat, werd gebruikt om mortaliteit te vergelijken, het risico op complicaties, en de waarschijnlijkheid dat evidence-based therapie werd voorgeschreven, in mannen en vrouwen die een AMI doormaakten. Data van 48118 patiënten van 11 hartunits in Västra Götaland County warden geïncludeerd, waarvan 35.4% vrouw waren.
 

Belangrijkste resultaten

  • Tussen 1995 en 2013 nam in-hospital, 30-dagen en 1-jaar mortaliteit af. De gecorrigeerde daling in de tijd verschilde niet significant tussen mannen en vrouwen.
    Niet-gecorrigeerde mortaliteit was hoger in vrouwen, maar zij waren gemiddeld ouder.
  • Een risicofactor-gecorrigeerde Cox proportional hazards regressiemodel op imputed data liet zien dat vrouwen gediagnosticeerd met AMI een lager risico hadden op sterfte dan mannen (HR: 0.94, 95%CI: 0.91-0.96, P<0.001).
  • Een significante interactie werd gezien tussen geslacht en leeftijd, en geslacht en type MI (STEMI of NSTEMI). Lange en korte-termijn prognose was beter in oudere vrouwen dan in oudere mannen, maar in jonge leeftijdsgroepen was de prognose vergelijkbaar. En vrouwen met NSTEMI hadden een betere prognose dan mannen, terwijl de prognose vergelijkbaar was voor beide seksen in geval van STEMI.
    Jongere vrouwen met STEMI had een extra hoog risico.
  • Na de introductie van primaire PCI als eerste keus reperfusietherapie, werd een vergelijkbaar risico op sterfte binnen 30 dagen gezien voor mannen en vrouwen, hoewel een trend aanwezig was richting meer risicoreductie voor mannen (P=0.055 voor interactie sekse en tijd).
  • Het risico om prehospitaal cardiogene shock te ontwikkelen was groter in jongere vrouwen dan in jongere mannen (adjOR: 1.67, 95%CI: 1.30-2.16). Vrouwen met STEMI hadden een hoger risico op cardiogene shock (OR: 1.31, 95%CI: 1.16-1.48), terwijl vrouwen met NSTEMI dit niet lieten zien (OR: 0.92, 95%CI: 0.82-1.04).
  • Vrouwen liepen meer risico om behandeld te worden voor in-hospital hartfalen, en ook op ernstige bloeding dan mannen.
  • Vrouwen met STEMI maakten minder kans om coronaire angiografie te ondergaan dan mannen met with STEMI (OR: 0.72, 95%CI: 0.57-0.90).
  • Voor vrouwen was het waarschijnlijker dat zij geen evidence-based farmacologische behandeling kregen voorgeschreven, hetgeen stabiel was in de onderzoeksperiode.
 

Conclusie

Deze studie in gegevens van het prospectieve RISK-HIA register laat zien dat, over het algemeen, vrouwen een betere prognose na AMI hebben dan mannen, hoewel jongere vrouwen of vrouwen met SETEMI dit voordeel niet laten zien. Gedurende de studieperiode, kregen vrouwen minder vaak evidence-based behandeling na ontslag uit het ziekenhuis, en was het minder waarschijnlijk dat ze coronaire angiografie ondergingen.
 
Vind dit artikel online bij J Am Heart Assoc
 

Referenties

1. Tillmanns H, Waas W, Voss R, et al. Gender differences in the outcome of cardiac interventions. Herz. 2005;30:375–389.
2. Schmidt M, Jacobsen JB, Lash TL, et al. 25 year trends in first time hospitalisation for acute myocardial infarction, subsequent short and long term mortality, and the prognostic impact of sex and comorbidity: a Danish nationwide cohort study. BMJ. 2012;344:e356.
3. Koopman C, Bots ML, van Oeffelen AA, et al. Population trends and inequalities in incidence and short-term outcome of acute myocardial infarction between 1998 and 2007. Int J Cardiol. 2013;168:993–998.
4. Dudas K, Lappas G, Rosengren A. Long-term prognosis after hospital admission for acute myocardial infarction from 1987 to 2006. Int J Cardiol. 2012;155:400–405.
5. Smolina K, Wright FL, Rayner M, et al. Determinants of the decline in mortality from acute myocardial infarction in England between 2002 and 2010: linked national database study. BMJ. 2012;344:d8059.
6. Vaccarino V, Parsons L, Every NR, et al. Sex-based differences in early mortality after myocardial infarction. National Registry of Myocardial Infarction 2 Participants. N Engl J Med. 1999;341:217–225.
7. Jernberg T, Attebring MF, Hambraeus K et al. The Swedish web-system for enhancement and development of evidence-based care in heart disease evaluated according to recommended therapies (SWEDEHEART). Heart. 2010;96:1617–1621.