Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Weinig ernstige bloedingen en beroerte bij gebruik NOAC in dagelijkse klinische praktijk

Camm AJ et al., Eur Heart J. 2015

XANTUS: a real-world, prospective, observational study of patients treated with rivaroxaban for stroke prevention in atrial fibrillation


Camm AJ, Amarenco P, Haas S, et al. on behalf of the XANTUS Investigators
Eur Heart J. Published online: 1 September 2015 DOI: http://dx.doi.org/10.1093/eurheartj/ehv466
 

Achtergrond

Vier non-vitamine K-antagonisten zijn inmiddels goedgekeurd voor beroertepreventie bij atriumfibrilleren (AF). Internationale richtlijnen bevelen deze non-VKA orale anticoagulantia (NOACs) aan als alternatief voor VKAs [1,2]. Ze zijn tenminste even effectief en veiliger dan VKAs voor stroke preventie in patiënten met non-valvulair AF (NVAF)[3-6].
Het verzamelen van data over de effectiviteit van NOACs duurt voort, middels retrospectieve registers en meer gerandomiseerde klinische trials. De European Medicines Agency (EMA) merkte op dat grote datasets van prospectief verzamelde informatie in grote patiëntengroepen nog ontbrak. Daarom moesten observationele studies worden uitgevoerd als onderdeel van het post-approval plan.
Dit artikel beschrijft de uitkomsten van de XANTUS studie, die de veiligheid en effectiviteit van rivaroxaban in de dagelijkse ‘real-world’ klinische praktijk bepaalde. Het betreft een internationale, niet-interventionele, observationele studie [7]. 6784 patiënten met NVAF (gemiddelde leeftijd: 71.5 jaar) uit 311 centra in Europa, Israël en Canada werden geïncludeerd en werden behandeld met rivaroxaban (78.7% ontving 20 mg od, 20.8% 15 mg od en 0.5% kreeg een andere, niet gedocumenteerde, dosis). 45.5% van de patiënten had eerder VKAs gebruikt, 4.5% was VKA-naïef. Gemiddelde CHADS2 score was 2.0 bij baseline. De gemiddelde observatieperiode was 329 dagen (SD: 115, mediaan: 366).
 

Belangrijkste resultaten

  • De meeste patiënten (96.1%) maakten geen ernstige bloedingen, trombo-embolische events en sterfte door alle oorzaken door in de context van behandeling.
  • 2709 (39.9%) van de patiënten had een behandeling-geïnduceerde bijwerking (AE: adverse event) en 1200 (17.7%) een ernstige AE (SAE).
  • Er waren 142 ernstige bloedingen in 128 patiënten (2.1 events per 100 patiëntjaren [PJ]). Fatale bloedingen kwamen voor met een incidentie van 0.2 events/100 PJ, en kritieke orgaanbloedingen met 0.7 events/100 PJ, inclusief intracraniële bloedingen (0.4 events/100 PJ). Ernstige gastrointestinale bloedingen werden gezien met 0.9 events/100 PJ.
  • Beroerte trad op in 43 patiënten (0.7 events/100 PJ, hemorragische stroke: 0.2%, ischaemische stroke: 0.5%), en systemische embolie (SE) in 8 patiënten (0.1 events/100 PJ).
  • Sterfte door alle oorzaken kwam voor in 118 patiënten (1.9 events/100 PJ).
  • De incidentie van ernstige bloedingen nam toe met de leeftijd, te weten 0.9, 1.7 en 3.2 events per 100 PJ in patiënten van respectievelijk <65 jaar, >65 tot <75 jaar en >75 jaar. De frequentie van trombo-embolische events waren 0.8, 1.8 en 2.3 events/100 PJ in deze leeftijdscategorieën.
  • In de 4452 patiënten van wie creatinineklaring-waarden bekend waren, had 14.4% CrCl<50 mL/min en 85.6% CrCl>50 mL/min. Ernstige bloedingen kwamen vaker (3.4%) voor in mensen met gedocumenteerde verminderde nierfunctie. De laagste incidentie ernstige bloedingen (0.6%) werd gezien in mensen van wie geen CrCl-testresultaten gedocumenteerd waren.
 

Conclusie

XANTUS is de eerste internationale, prospectieve, niet-interventionele studie die NOAC-gebruik voor beroertepreventie in een brede NVAF patiëntenpopulatie beschrijft. Het gebruik van ongeselecteerde populaties uit de dagelijkse praktijk, zoals in XANTUS, complementeren de uitkomsten van de eerdere trials
De incidentie van beroerte in deze real-world populatie was laag (0.7%), ten opzichte van 1.7 events per 100 PJ in de ROCKET-AF (gemiddeld CHADS2 score: 3.5) on-treatment populatie. Trombo-embolische events en sterfte kwamen ook weinig voor in XANTUS. De incidentie van ernstige bloedingen was lager dan in ROCKET-AF (3.6 events/100 PJ).
 
Vind dit artikel online bij Eur Heart J
 

References

1. Camm AJ, Lip GYH, De Caterina R, et al. 2012 focused update of the ESC Guidelines for the management of atrial fibrillation: an update of the 2010 ESC Guidelines for the management of atrial fibrillation. Developed with the special contribution of the European Heart Rhythm Association. Eur Heart J 2012;33:2719–2747.
2. January CT, Wann LS, Alpert JS, et al. 2014 AHA/ACC/HRS Guideline for the management of patients with atrial fibrillation: a report of the American College of Cardiology/American Heart Association Task Force on Practice Guidelines and the Heart Rhythm Society. J Am Coll Cardiol 2014;64:e1–e76.
3. Connolly SJ, Ezekowitz MD, Yusuf S, et al, RE-LY Steering Committee and Investigators. Dabigatran versus warfarin in patients with atrial fibrillation. N Engl J Med 2009;361:1139–1151.
4. Granger CB, Alexander JH, McMurray JJ, et al., ARISTOTLE Committees and Investigators. Apixaban versus warfarin in patients with atrial fibrillation. N Engl J Med 2011;365:981–992.
5. Patel MR, Mahaffey KW, Garg J, et al, ROCKET AF Investigators. Rivaroxaban versus warfarin in nonvalvular atrial fibrillation. N Engl J Med 2011;365:883–891.
6. Giugliano RP, Ruff CT, Braunwald E, et al, ENGAGE AF-TIMI 48 Investigators. Edoxaban versus warfarin in patients with atrial fibrillation. N Engl J Med 2013;369:2093–2104.
7. Camm AJ, Amarenco P, Haas S, et al. XANTUS: rationale and design of a noninterventional study of rivaroxaban for the prevention of stroke in patients with atrial fibrillation. Vasc Health Risk Manag
2014;10:425–434.