Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Complex samenspel AF en HF geeft slechte prognose

Santhanakrishnan R et al., Circulation. 2016

Atrial Fibrillation Begets Heart Failure and Vice Versa: Temporal Associations and Differences in Preserved vs. Reduced Ejection Fraction


Santhanakrishnan R; Wang N; Larson MG et al.,
Circulation. 2016 Jan 8. pii: CIRCULATIONAHA.115.018614. [Epub ahead of print]
 

Achtergrond

Hartfalen (HF) en atriumfibrilleren (AF) hebben enkele dezelfde predisponerende factoren en zijn nauw met elkaar verweven. Beide kunnen ze tot de ander leiden, en wanneer beide aanwezig zijn verslechtert de prognose [1-4].
Verschillen in atriale hermodellering en prognose geassocieerd met AF onder HF subtypes zijn beschreven. Bijvoorbeeld werd grotere excentrische linker atrium (LA) hermodellering gezien in HF met verminderde ejectiefractie (HFrEF), terwijl grotere LA stijfheid is beschreven voor HF met behouden EF (HFpEF) die predisponeert tot AF [5]. Bovendien kunnen CV uitkomsten na AF worden beïnvloed door het HF subtype [6].
De auteurs postuleerden daarom dat het temporele verband tussen AF en HF subtypes verschilt. Ze beoogden het verband te onderzoeken van AF met HFpEF en HFrEF, in een groot gemeenschaps-gebaseerd cohort, om meer informatie te verkrijgen over de start van de ene conditie ten opzichte van de andere, in tegenstelling tot eerdere ziekenhuisgebaseerde studies. AF en HF events werden longitudinaal vastgesteld. Deze studie is onderdeel van de Framingham Heart Study [7]. Aangezien echocardiografie om HF subtype vast te stellen breed beschikbaar kwam na 1980, werden deelnemers met nieuw AF (n=1737) en/of HF (n=1166, 41% HFpEF, 44% HFrEF, 15% niet geclassificeerd) tussen 1980 en 2012 geïncludeerd.
 

Belangrijkste resultaten

  • Van de individuen met HF had 38% geen AF bij baseline of tijdens follow-up, 32% had prevalente AF, 18% ontving een AF diagnose binnen 30 dagen na hun incident HF diagnose, en 12% ontwikkelde incidente AF na de incident HF diagnose,
  • Deelnemers met HfpEF hadden meer kans om AF op enig moment te hebben dan diegenen met HFrEF (62% vs 55%, P=0.02). De last van prevalent AF was groter in de HFpEF groep dan de HFrEF groep (32% vs. 23%, P=0.002).
  • Leeftijd- en seksegestandaardiseerde incidentie van AF was veel hoger in diegenen met prevalent HF ten opzichte van diegenen zonder HF (47.8 vs. 7.9 per 1000 PY).
  • In leeftijd- en seksegecorrigeerde Cox-analyses, werd een hoger risico op incident AF geobserveerd bij zowel prevalent HF (HR: 3.42, 95%CI: 2.10-5.56, P<0.0001) als interim HF (HR: 2.41, 95%CI: 1.89-3.08, P<0.0001). Na multivariable correctie warden ongeveer tweevoudig verhoogde risico’s gezien.
  • Gestandardiseerde incidenties van HF waren ook veel hoger in diegenen met vs. zonder prevalent AF (31.4 vs. 4.8 per 1000 PY), en dit gold voor beide subtypes.
  • Prevalent AF voorspelde incident HFpEF (HR: 2.34, 95%CDI: 1.48-3.70, P=0.0003) maar niet HFrEF (HR: 1.32, 95%CI: 0.83-2.10, P=0.23).
  • Interim AF daarentegen voorspelde incident HFrEF (HR: 1.71, 95%CI: 1.19-2.45, P=0.003), maar niet HFpEF in multivariabele gecorrigeerde analyses.
  • Sterfte na HF was vergelijkbaar in deelnemers met of zonder prevalent AF. Interim AF was echter geassocieerd met mortaliteit in individuen met nieuwe HFpEF (multivariable-adjusted HR: 1.58, 95%CI: 1.08-2.30, P=0.02) of nieuwe HFrEF (HR: 2.02, 95%CI: 1.46-2.79, P<0.0001).
  • Sterfte na AF was hoger in diegenen met HFrEF vs. HFpEF en er was een nog groter verschil met diegenen zonder HF.

Conclusie

Deze data demonstreren de nauwe en complexe associatie tussen AF en HF. Ten minste een derde van de individuen met AF ontwikkelen HF op enig moment, en in meer dan de helft van de HF individuen komt AF voor. Terwijl AF zowel vooraf kan gaan aan HF als het opvolgen, is AF vaker de eerste diagnose. Meer specifiek, komt incident HFpEF vaker voor dan HFrEF als AF al bestaat. Samen leiden AF en HF tot een slechtere prognose, waarbij het risico het grootst is in individuen met HFrEF.
 
Vind dit artikel online bij Circulation

 

References

1. Ho KK, Anderson KM, Kannel WB et al. Survival after the onset of
congestive heart failure in Framingham Heart Study subjects. Circulation. 1993;88:107-115.
2. McManus DD, Hsu G, Sung SH, et al. Atrial fibrillation and outcomes in heart failure with preserved versus reduced left ventricular ejection fraction. J Am Heart Assoc. 2013;2:e005694.
3. Dries DL, Exner DV, Gersh BJ, et al. Atrial fibrillation is associated with an increased risk for mortality and heart failure progression in patients with asymptomatic and symptomatic left ventricular systolic dysfunction: a retrospective analysis of the SOLVD trials. Studies of Left Ventricular Dysfunction. J Am Coll Cardiol. 1998;32:695-703.
4. Wang TJ, Larson MG, Levy D, et al. Temporal relations of atrial fibrillation and congestive heart failure and their joint influence on mortality: the Framingham Heart Study. Circulation. 2003;107:2920-2925.
5. Melenovsky V, Hwang S, Redfield MM, et al. Left atrial remodelling and function in advanced heart failure with preserved or reduced ejection fraction. Circ Heart Fail. 2015;8:295-303.
6. Olsson LG, Ducharme A, Granger CB, et al. Atrial fibrillation and risk of clinical events in chronic heart failure with and without left ventricular systolic dysfunction: results from the Candesartan in Heart failure-Assessment of Reduction in Mortality and morbidity (CHARM) program. J Am Coll
Cardiol. 2006;47:1997-2004
7. Kannel WB, Feinleib M, McNamara PM, et al. An investigation of coronary heart disease in families The Framingham offspring study. Am J Epidemiol. 1979;110:281-290