Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Herstel van ijzerdeficiëntie met IV ijzer carboxymaltose verbetert uithoudingsvermogen HF-patiënten

15 nov. 2016 - nieuws

Effect of Ferric Carboxymaltose on Exercise Capacity in Patients with Iron Deficiency and Chronic Heart Failure (EFFECT-HF): A Randomized, controlled study

Gepresenteerd op de AHA Scientific Sessions 2016 door: D.J. van Veldhuisen, UMC Groningen, Groningen, Nederland
 
Herstel van ijzer deficiëntie door middel van IV ijzer carboxymaltose (FCM) verbeterde het uithoudingsvermogen van patiënten met hartfalen (HF) in de EFFECT-HF studie.
 
IJzer deficiëntie is een veel voorkomende comorbiditeit in patiënten met stabiele HF en in patiënten die zijn opgenomen in het ziekenhuis wegens verslechterend HF. Het is geassocieerd met een beperking van functionele activiteiten, een verminderde kwaliteit van leven en verhoogde mortaliteit. IJzer deficiëntie kan het gevolg zijn van een beperkte aflevering van zuurstof door een gereduceerd hemoglobine (Hb) gehalte of van een verstoorde zuurstofgebruik door een reductie van aerobe enzymen. Zowel beperkte zuurstofaflevering als een verstoord zuurstofgebruik resulteren in een verlaagde maximale zuurstof consumptie (pVO2). pVO2 is een belangrijke prognostische factor voor HF-patiënten waarbij een matige verhoging zelfs is geassocieerd met een voordelige uitkomst. Eerdere studies, waaronder FAIR-HF en CONFIRM-HF, hebben aangetoond dat FCM klinisch voordeel oplevert voor HF-patiënten met ijzer deficiëntie.
 
Om dit te valideren was in de multicenter, open label, gerandomiseerde en blinde EFFECT-HF studie de verbetering op cardiopulmonaire tolerantie bepaald in symptomatische HF-patiënten, na behandeling van ijzer deficiëntie met IV FCM. Daarvoor was de maximale pVO2 gemeten in 174 patiënten met HF NYHA klasse II/III en linker ventriculaire ejectiefractie (LVEF) ≤45%, een pVO2 van 10-20 mL/kg/min, BNP > 100 pg/mL en/of NT-proBNP >400 pg/mL, een Hb <15 g/dL en ijzer deficiëntie (serum ferritine <100 ug/L of 100-300 ug/L als TSAT <20%). Patiënten waren gerandomiseerd voor FCM wat toegediend werd op dag 0, week 6 en week 12 of standaard behandeling (SoC). Op week 24 werd de pVO2 gemeten.
 
De resultaten lieten zien dat de ijzer-gerelateerde parameters ferritine, TSAT en Hb in FCM-behandelde patiënten allen verhoogd waren vanaf baseline, terwijl sTfR verlaagd was in deze patiënten. Deze verschillen waren significant anders dan de verschillen gemeten in SoC-patiënten. Bovendien was het primaire eindpunt pVO2 verbetert in FCM-behandelde patiënten ten opzichte van SoC-patiënten; de gecorrigeerde veranderingen vanaf baseline waren ongeveer -0,2 mL/kg/min voor behandelde patiënten en -1,2 mL/kg/min voor SoC-patiënten (p=0.02). Daarnaast was de koolstofdioxide-productie relatie (VE/VCO2 slope) vergelijkbaar tussen de groepen. Aan de andere kant waren het aantal ziekenhuisopnames toegenomen van 15.3 naar 30.7%, terwijl de mortaliteit 0% was voor FCM-behandelde patiënten en 4.7% voor SoC-patiënten. Ook de frequentie van bijwerkingen (adverse events, AE’s) was hoger in FCM-behandelde patiënten. Dit gold voor iedere AE (60% vs. 48.2% voor SoC), ernstige AE (14.8% vs. 9.4% voor SoC), serieuze AE (31.8 vs. 18.8% voor SoC), behandelings-gerelateerde AE (9.1% vs. geen voor SoC) en ernstige behandelings-gerelateerde AE (3.4% vs. geen voor SoC). In tegenstelling waren bijwerkingen die resulteerde in het stoppen van de studie (2.3% vs. 5.9% voor SoC) of sterfte (geen vs. 5.9%), lager in FCM-behandelde patiënten.
 
Samengenomen was er een significante verbetering in maximale pVO2 voor patiënten behandeld met FCM ten opzichte van SoC-behandelde patiënten. Dit toont aan dat FCM het uithoudingsvermogen en symptomen verbetert en bevestigt en verlengt de resultaten van de eerdere FCM studies.
 
- Onze berichtgeving is gebaseerd op de op het AHA-congres verstrekte informatie –
 
Het AHA Journaal is mogelijk gemaakt dankzij een unrestricted grant van Amgen.