Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Paroxysmaal AF geassocieerd met slechtere klinische uitkomst dan persistent AF

22 mrt. 2017 - nieuws

Paroxysmal atrial fibrillation is associated with worse clinical outcomes than persistent/ permanent atrial fibrillation in patients with heart failure and reduced ejection fraction

 
Presented at ACC.17 by JJV McMurray
 

Achtergrond

Of AF een onafhankelijke prognostische factor is in HFrEF wordt betwist. In relevante klinische studies werd AF niet consistent gedefinieerd, waarbij sommigen medische voorgeschiedenis gebruikten en anderen baseline ECT om AF op te sporen. Bovendien zijn de uitkomsten niet gerelateerd aan het type AF bij baseline (paroxysmaal vs. persistent/permanent) en de relatie tussen incidente AF en uitkomsten is nauwelijks bepaald. Ook is de correctie van uitkomsten niet altijd hetzelfde in studies. Verder is de krachtigste onafhankelijke voorspeller van uitkomsten, het meten van natriuretische peptiden, niet meegenomen in chronische HFrEF studies.
In deze studie werd het verband tussen AF en het risico op CV events geëvalueerd op basis van AF status bij randomisatie, in een gepoolde analyse van de PARADIGM-HF en de ATMOSPHERE databases, de twee grootste wereldwijde multicentre, gerandomiseerde studies in HFrEF. De studies hadden een bijna identieke studieopzet en gedetailleerde klinische data, plasma NTproBNp en 12-lead ECG meting bij baseline. Onderzoekers vroegen naar de historie van AF (en zo ja, of AF paroxysmaal of persistent/permanent was) en of baseline ECG AF liet zien of niet. Het primaire eindpunt van beide studies was een composiet van CV sterfte en HF hospitalisatie.
 

Belangrijkste resultaten

  • Van de 15.415 gerandomiseerde patiënten in beide studies, had 35.6% een voorgeschiedenis met AF, en 68.8% van dezen had persistent/permanent AF, terwijl 30.0% paroxysmaal AF had.
  • Na correctie voor gerandomiseerde behandeling en baseline karakteristieken (leeftijd, sekse , regio, ras, NYHA klasse, LVEF, HR, SBP, eGFR, DM, BMI, tijd sinds HF diagnose, geschiedenis van HF hospitalisatie, beroerte, MI, en log NT-proBNP), was de baseline-AF-geassocieerd risico op het primaire eindpunt ten opzichte van patiënten zonder AF: HR permanent AF: 0.93; 95% CI: 0.86-1.01; HR paroxysmaal AF: 1.20; 95% CI: 1.09-1.32; P<0.001; HR voor new-onset AF: 2.25; 95% CI: 1.84-2.74; P<0.001.
  • Ten opzichte van patiënten zonder AF, was het gecorrigeerde risico op CV sterfte: HR permanent AF: 0.97; 95% CI: 0.88-1.06; HR paroxysmal AF: 1.09; 95% CI: 0.96-1.23; P=0.08.
  • Ten opzichte van patiënten zonder AF, was het gecorrigeerde risico op HF hospitalisatie: HR permanent AF: 0.93; 95% CI: 0.84-1.03; HR paroxysmal AF: 1.33; 95% CI: 1.18-1.50; P<0.001.
  • Ten opzichte van patiënten zonder AF, was het gecorrigeerde risico op sterfte door alle oorzaken: HR permanent AF: 0.95; 95% CI: 0.87-1.04; HR paroxysmal AF: 1.08; 95% CI: 0.96-1.21; HR new-onset AF: 2.30; 95% CI: 1.91-2.77; P<0.01.
  • Ten opzichte van patiënten zonder AF, was het gecorrigeerde risico op beroerte: HR permanent AF: 1.04; 95% CI: 0.82-1.31; HR paroxysmal AF: 1.33; 95% CI: 1.01-1.75; HR new-onset AF: 2.10; 95% CI: 1.19-3.69; P=0.010.  

Conclusie

Paroxysmaal, maar niet persistent/permanent AF was geassocieerd met een hoger risico op het samengestelde eindpunt van HF hospitalisatie of CV sterfte, zelfs na correctie voor andere prognostische variabelen, inclusief NT proBNP. Deze bevinding werd gedreven door een verhoogd risico op ziekenhuisopname voor HF. Paroxysmaal AF was ook geassocieerd met een hoger gecorrigeerd risico op beroerte, maar persisten/permanent AF niet. Incidente AF leverde het grootste risico, aangezien het was geassocieerd met een hoger risico op HF hospitalisatie, sterfte en beroerte. Deze data suggereren dat nieuw AF tot het overwegen van direct starten met antistolling moet leiden.

- Onze berichtgeving is gebaseerd op de op het ACC-congres verstrekte informatie –
Het ACC journaal 2017 wordt mogelijk gemaakt door Amgen en Novartis.