Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Acute reversibele daling van eGFR met SGLT2 remmer in T2DM patiënten met of zonder HF

ESC HF 2017 - Paris, France

30 apr. 2017 - nieuws

Empagliflozin decreases risk of kidney function decline in type 2 diabetes: slope analyses in patients with and without heart failure at baseline from the EMPA-REG OUTCOME trial

 
Presented at ESC Heart Failure 2017 by Alfred CHUENG (Salt Lake City, UT, USA)
 

Achtergrond

De EMPA-REG OUTCOME studie evalueerde het effect van de SGLT2-remmer empagliflozine (10 mg qd of 25 mg qd), in vergelijking met placebo, in 7020 patiënten met type 2 diabetes (T2DM) en vastgestelde CV ziekte, voor een mediane follow-up van 3.1 jaar. Volgens de inclusiecriteria hadden patiënten eGFR (MDRD) ≥30 mL/min/1.73m2. Baseline karakteristieken waren over het algemeen behoorlijk vergelijkbaar tussen placebo- en empagliflozine-behandelde patiënten, waaronder het percentage patiënten met eGFR <60 mL/min/1.73m2, namelijk 26% in beide groepen.

De belangrijkste resultaten van EMPA-REG OUTCOME omvatten dat empagliflozine, ten opzichte van placebo, het optreden van het primaire eindpunt van CV sterfte, niet-fataal MI of niet-fatale stroke verminderde (HR: 0.86, 95%CI: 0.74-0.99, P=0.04) en de composiet uitkomst van CV sterfte of geverifieerde hartfalen (HF) hospitalisatie (HR: 0.66, 95%CI: 0.55-0.79, P<0.0001).

Deze studie richt zich op de observatie dat empagliflozine een acute, schijnbaar reversibele daling van eGFR veroorzaakte, gevolgd door nierprotectie op de langere termijn. Deze studie beoogde het effect van empagliflozine te bepalen op de snelheid van verandering in eGFR in de tijd in patiënten met (n=654) of zonder (n=6013) HF op baseline in de EMPA-REG OUTCOME trial. Hiertoe werden eGFR hellingen berekend met behulp van random-intercept en time-coefficient modellen, waarbij rekening werd gehouden met diverse baseline factoren. eGFR hellingen werden berekend voor drie vooraf gespecificeerde tijdsperiodes: acute fase (baseline tot na 4 weken behandeling), chronische fase (week 4 tot einde behandeling) en post-behandeling (tot 1 maand na stoppen behandeling).
 

Belangrijkste resultaten

  • Wanneer patiënten met of zonder HF op baseline apart werden beschouwd, werd duidelijk dat diegenen met HF op baseline vaker eGFR <60 mL/ min/1.73m2 hadden (36.5% op placebo, 37.7% op empagliflozine) dan diegenen zonder HF (24.8% op placebo, 24.6% op empagliflozin).
  • Gebruik van ACE remmers of ARBs was prevalent (met HF: 84.4% op placebo, 87.9% op empagliflozine, zonder HF: respectievelijk 79.6% en 80.3%).
  • Gecorrigeerde gemiddelde eGFR daalde met empagliflozine in de acute fase, terwijl deze stabiel bleef op placebo, zowel in diegenen met als zonder HF (hoewel de curves voor patiënten met HF lager liepen dan die van diegenen zonder HF).
  • Gedurende de chronische fase (week 4-206) was eGFR stabiel op empagliflozinebehandeling, terwijl het daalde op placebo. Hetzelfde patroon, bij verschillende niveaus van eGFR, werd gezien voor patiënten met of zonder HF op baseline.
  • In de post-behandelingfase nam eGFR toe op empagliflozine, en deze bleef stabiel op placebo, in beide HF groepen.
  • Wanneer de wekelijkse helling in de acute fase werd berekend, werd een daling van -0.77 mL/ min/1.73m2 in eGFR gezien met empagliflozine, ten opzichte van 0.01 met placebo in diegenen zonder HF, en respectievelijk -0.76 en -0.01 in diegenen met HF.
  • Berekenen van de jaarlijkse helling in de chronisch fase toonde een stijging van eGFR met 0.24 mL/ min/1.73m2 en een daling van -1.37 mL/ min/1.73m2 op placebo in diegenen zonder HF, en 0.12 mL/ min/1.73m2 toename met empagliflozine en -2.49 mL/ min/1.73m2 in diegenen met HF.
  • In de post-behandelingfase liet empagliflozine een stijging van de wekelijkse helling zien met 0.55 mL/ min/1.73m2, in vergelijking met een daling (0.04) met placebo in diegenen zonder HF, en van 0.58 mL/ min/1.73m2 vs. 0.13 op placebo in diegenen met HF.

Conclusie

Deze analyses laten zien dat eGFR-hellingsanalyses een nuttige methode zijn om het effect van SGLT2-remmers op nierfunctie te bestuderen. Bovendien lieten ze zien dat de SGLT2-remmer empagliflozine een acute daling van eGRF laat zien (bij hoge achtergrondtherapie met ACEi/ARB), die reversibel lijkt bij stoppen van de behandeling. Empagliflozine leek een daling in eGFR te voorkomen die werd gezien in patiënten die placebo ontvingen. Dit patroon van eGFR veranderingen was vergelijkbaar in patiënten met en zonder vooraf bestaand HF.
Lopende studies onderzoeken het effect van empagliflozine op nierfunctie verder in patiënten (met of zonder diabetes) met HFrEF (EMPEROR-reduced) en met HFpEF (EMPEROR-preserved).
Tijdens de discussie opperde dr. Giuseppe M C ROSANO (London, GB) dat een initieel diuretisch effect deze observaties mogelijk kan verklaren, aangezien ook een initiële daling van lichaamsgewicht werd gezien. Het effect op eGFR is daarom mogelijk een diuretisch effect, in plaats van een effect van het middel zelf. Ook merkte hij op dat het belangrijk is om nierfunctie op peil te houden, dat het middel mortaliteit en morbiditeit vermindert, hetgeen zwaarder weegt dan de effecten op nierfunctie.
 
- Onze berichtgeving is gebaseerd op de op het ESC Heart Failure congres verstrekte informatie –