Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Verlagen hartfrequentie levert voordeel op voor HF-patiënten met sinusritme, maar niet met AF

ESC HF 2017 - Paris, France

1 mei 2017 - nieuws

Targeting heart rate to improve mortality in heart failure with reduced ejection fraction: a comparison of sinus rhythm and atrial fibrillation

Gepresenteerd op de ESC Heart Failure 2017 door John CLELAND (London, United Kingdom), namens de 'Beta-blockers in Heart Failure Collaborative Group'
 

Achtergrond

Individuele patiëntendata van 11 gerandomiseerde gecontroleerde klinische studies (MDC 1993, CIBIS 1994, US-HF 1996, ANZ 1997, CIBIS-II 1999, MERIT-HF 1999, COPERNICUS 2001, CAPRICORN 2001, BEST 2001, CHRISTMAS 2003 en SENIORS 2005) werden gepoold, wat resulteerde in data van 18.637 patiënten met hartfalen (HF). Alle RCT’s hadden mortaliteit als een belangrijk eindpunt, waren head-to-head studies zonder confounding, hadden een geplande follow-up van minimaal 6 maanden en includeerden minimaal 300 patiënten.
 
Het doel was om het effect van het gebruik van bètablokkers te vergelijken tussen patiënten met sinusritme en atriumfibrilleren (AF). Op baseline werd opgemerkt dat diegenen met een hogere hartfrequentie (>90 bpm) iets zieker waren, vaker geclassificeerd werden als HF NYHA klasse III/IV en een lagere LVEF hadden, terwijl leeftijd iets lager was bij een lagere hartfrequentie (<70 en 70-90 bpm).
 

Belangrijkste resultaten

  • Bij patiënten met sinusritme hadden degenen met een lagere hartfrequentie op baseline, minder sterfte door alle oorzaken dan degenen met een hogere hartfrequentie. Dit patroon werd niet gezien bij patiënten met AF.
  • De HR voor sterfte door alle oorzaken op basis van hartfrequentie op baseline was positief statistisch significant gecorreleerd bij degenen met sinusritme (HR 1.11 per 10 bpm, 95% CI 1.07-1.15, P<0.0001). Bij AF was de helling van de curve vlakker en werd geen statistische significantie bereikt (HR 1.03 per 10 mm, 95% CI 0.97-1.08, P=0.38).
  • Bij patiënten met sinusritme was de effectiviteit van behandeling met een bètablokker onafhankelijk van de hartfrequentie op baseline, met relatieve risicoreducties van 18-29% in de 3 hartfrequentiecategorieën (<70, 70-90 en >90 bpm).
  • Bij AF werd geen effect van behandeling met bètablokkers gezien (HR 0.97, 95% CI 0.83-1.14, P=0.73).
  • Er werd een dosisafhankelijke reductie van sterfte door alle oorzaken gezien bij patiënten met sinusritme en behandeld met bètablokkers. Opmerkelijk was dat de hoogste dosis placebo ook een reductie in mortaliteit opleverde ten opzichte van alle andere placebogroepen.
  • Sterfte door alle oorzaken was minder bij degenen met een lagere hartfrequentie tijdens follow-up en met sinusritme.
  • Bij AF werd geen duidelijk patroon van hartfrequentie op baseline en sterfte door alle oorzaken gezien.
 

Conclusie

Deze gepoolde data tonen aan dat een hogere hartfrequentie op baseline is geassocieerd met een hogere mortaliteit bij patiënten met sinusritme, maar niet bij degenen met AF. Een hogere dosis bètablokker (en ook placebo!) was geassocieerd met een lagere mortaliteit bij patiënten met sinusritme en een lagere bereikte hartfrequentie is geassocieerd met een lagere mortaliteit bij patiënten met sinusritme, maar niet bij degenen met AF.
Het bleek dat hartfrequentie geen goede voorspeller voor behandelrespons bij bètablokkers is, gezien de effectiviteit vergelijkbaar was in alle categorieën hartfrequentie. Daarom concludeerde Dr. Cleland dat in het in de klinische praktijk niet alleen belangrijk is om te zorgen voor de juiste dosering van de bètablokker, maar ook om de hartfrequentie te verlagen, mogelijk met een extra middel. Bij atriumfibrilleren is weinig bewijs voor het verwachten van voordeel.  
 
Deze data zijn gepubliceerd in J Am Coll Cardiol
 
- Onze berichtgeving is gebaseerd op de op het ESC Heart Failure congres verstrekte informatie –