Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Trends atriumfibrilleren voorspellen aanzienlijke toename incidentie tot 2060

Lane DA, et al, J Am Heart Assoc. 2017

Temporal Trends in Incidence, Prevalence, and Mortality of Atrial Fibrillation in Primary Care

 
Lane DA, Skjøth F, Lip GYH, et al.
J Am Heart Assoc. 2017 Apr 28;6(5)
 

Achtergrond

Bijna iedere gepubliceerde studie heeft laten zien dat er een toename van incidentie en prevalentie van atriumfibrilleren (AF) is, waarvan wordt verwacht dat deze ook de komende decennia aanzienlijk zal stijgen [1-7]. Het merendeel van deze observaties is echter afkomstig van cohortstudies of van AF registers, terwijl data uit een niet-geselecteerde klinische populatie ontbreekt.
 
Het doel van deze huidige studie was om tijdelijke trends in AF incidentie, comorbiditeiten en mortaliteit te bestuderen in een huisartsenpopulatie (UK Clinical Practice Research Datalink, CPRD GOLD, n=57.818, wat overeenkomt met ~8% van de UK populatie), om op deze manier meer inzicht te krijgen in het toekomstige AF profiel in het Verenigd Koninkrijk. De studie bestond uit volwassenen met eerste ervaring AF en liep van 1998-2010.
 

Belangrijkste resultaten

  • De studiepopulatie bestond voor 48.3% uit vrouwen en 51.7% uit mannen, met een gemiddelde leeftijd van 71.5 jaar.
  • Gedurende de jaren was er een duidelijke trend naar een verouderding van de AF populatie; het proportie >85 jarigen nam toe van 15.5% in 1998-2001, naar 16.1% in 2002-2006 tot 19.0% in 2007-2010.
  • Gedurende de tijd was de proportie AF-patiënten met eerdere stroke/TIA en vasculaire ziekte op het moment van diagnose stabiel (11-15%), maar was er een duidelijke toename van de prevalentie hypertensie (46-61%) en diabetes mellitus (9-14%). Daarentegen nam de incidentie van ischemische hartziekte ten tijde van AF diagnose af (44-37%).
  • De CHA2DS2VASc score bleef vergelijkbaar in alle tijdperiodes (gemiddeld 3.2).
  • De incidentie AF nam met de leeftijd toe van 0.13 (95% CI 0.13-0.13) per 1000 persoons-jaren wanneer <55 jaar, tot 1.16 (95% CI 1.13-1.19) wanneer 55-64 jaar, tot 3.24 (95% CI 3.19-3.30) wanneer 65-74 jaar, tot 6.42 (95% CI 6.33-6.52) wanneer 75-84 jaar, tot 7.65 (95% CI 7.48-7.81) per 1000 persoonsjaren wanneer >85 jaar.
  • Mannen hadden vaker AF dan vrouwen (respectievelijk 1.33 vs 1.18 per 1000 persoonsjaren).
  • Leeftijd gecorrigeerde incidentie gedurende de tijd was 1.11 in 1998-2001 (95% CI 1.09-1.13), 1.33 in 2002-2006 (95% CI 1.31-1.34) en 1.33 in 2007-2010 (95% CI 1.31-1.35). Hoewel dit redelijke stabiel was voor jongere patiënten, nam de incidentie gedurende de tijd voor oudere patiënten >75 jaar toe (zie slide).
  • 1-jaars mortaliteit was 8.8% bij vrouwen (95% CI 8.4-9.1) en 10.6% bij mannen (95% CI 10.2-11.0). Bij patiënten van 55-74 jaar was er reductie in mortaliteit gedurende de tijd (IRR per kalenderjaar 0.97, 95% CI 0.95-0.99, P<0.001), terwijl deze bij patiënten >75 jaar vergelijkbaar bleef gedurende de tijd (IRR 1.00, 95% CI 0.99-1.01, P=0.84).
  • Op basis van deze data werd de prevalentie AF in 2010 geschat op 14.5 per 1000 persoonsjaren en 83.6 per 1000 >75 jaar. Uitgaande van een constante incidentietoename vanaf 2010, zijn de verwachte aantallen 15.5 in 2020, 20.5 in 2040 en 25.4 in 2060, en het wordt verwacht dat deze sneller toeneemt bij mannen dan bij vrouwen.
 

Conclusie

De incidentie AF tussen 1998 en 2010 vlakte over het algemeen af, maar bleef toenemen bij patiënten ouder dan 75 jaar, en AF kwam vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Het wordt verwacht dat dit aantal aanzienlijk toeneemt tot 2060. Bovendien nam de mortaliteit bij de oudere patiënten niet af, in tegenstelling tot bij jongere patiënten, ondanks verbeterde behandelingen. Deze toename reflecteert een aanzienlijk gezondheidsprobleem in 2060 en zal samengaan met tijdelijke veranderingen in AF-gerelateerde comorbiditeiten. Dit suggereert dat uitvoerige implementatie van AF preventie- en behandelstrategieën noodzakelijk is.
 
Vind deze publicatie online op J Am Heart Assoc
 

Referenties

1. Heeringa J, van der Kuip DA, Hofman A, Kors JA, van Herpen G, Stricker BH, Stijnen T, Lip GY, Witteman JC. Prevalence, incidence and lifetime risk of atrial fibrillation: the Rotterdam study. Eur Heart J. 2006;27:949–953.
2. Lloyd-Jones DM, Wang TJ, Leip EP, Larson MG, Levy D, Vasan RS, D’Agostino RB, Massaro JM, Beiser A, Wolf PA, Benjamin EJ. Lifetime risk for development of atrial fibrillation: the Framingham Heart Study. Circulation. 2004;110:1042–1046.
3. Chugh SS, Havmoeller R, Narayanan K, Singh D, Rienstra M, Benjamin EJ, Gillum RF, Kim YH, McAnulty JH Jr, Zheng ZJ, Forouzanfar MH, Naghavi M, Mensah GA, Ezzati M, Murray CJ. Worldwide epidemiology of atrial fibrillation: a Global Burden of Disease 2010 Study. Circulation. 2014;129:837–847.
4. Colilla S, Crow A, Petkun W, Singer DE, Simon T, Liu X. Estimates of current and future incidence and prevalence of atrial fibrillation in the U.S. adult population. Am J Cardiol. 2013;112:1142–1147.
5. Krijthe BP, Kunst A, Benjamin EJ, Lip GY, Franco OH, Hofman A, Witteman JC, Stricker BH, Heeringa J. Projections on the number of individuals with atrial fibrillation in the European Union, from 2000 to 2060. Eur Heart J. 2013;34:2746–2751.
6. Miyasaka Y, Barnes ME, Gersh BJ, Cha SS, Bailey KR, Abhayaratna WP, Seward JB, Tsang TS. Secular trends in incidence of atrial fibrillation in Olmsted County, Minnesota, 1980 to 2000, and implications on the projections for future prevalence. Circulation. 2006;114:119–125.
7. Stefansdottir H, Aspelund T, Gudnason V, Arnar DO. Trends in the incidence and prevalence of atrial fibrillation in Iceland and future projections. Europace. 2011;13:1110–1117.