Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

HFmrEF lijkt meer op HFrEF dan op HFpEF met betrekking tot IHD

Vedin O, et al. Circ Heart fail. 2017

Significance of Ischemic Heart Disease in Patients With Heart Failure and Preserved, Midrange, and Reduced Ejection Fraction: A Nationwide Cohort Study

 
Vedin O, Lam CSP, Koh AS, et al.
Circ Heart Fail. 2017;10:e003875.
 

Introductie en methoden

In de recente internationale hartfalen (HF) richtlijnen worden patiënten met een ejectiefractie (EF) van 40-49% gekarakteriseerd als HF met midrange EF (HFmrEF) [1,2]. Ischemische hartziekte (IHD) wordt geassocieerd met een verhoogd risico op hartfalen. Hoewel er bewijs is voor een hogere frequentie van HFmrEF en HF met behouden EF (HFpEF) dan HF met verminderde EF (HFrEF) na IHD events, ontbreken er cruciale bewijzen; er is weinig bekend over het effect van verschillende type HF op ischemische uitkomsten en er is twijfel over de rol van vastgesteld IDH bij het risico op nieuwe ischemische events en andere uitkomsten. Ook is de rol van vastgesteld IHD bij lange termijn veranderingen in EF bij patiënten met HFmrEF of HFpEF versus HFrEF, onbekend [3-5].
 
In deze analyse van het Zweedse hartfalenregister werden associaties tussen veel voorkomende IHD en het risico op een nieuw ischemisch en andere events bij patiënten met verschillende types HF bestudeerd, alsmede tussen veel voorkomende en incidenteel IHD en lange termijn veranderingen van EF bij verschillende types HF. Hiervoor werden 42.987 patiënten bekeken welke een mediane follow-up van 2.2 jaar hadden. De primaire uitkomst van tijd tot fataal of niet-fataal IHD event en de secundaire uitkomst was tijd tot fataal of niet-fataal HF event, fataal of niet-fataal cardiovasculair (CV) event en sterfte door alle oorzaken.
 

Belangrijkste resultaten

  • 23.2% van de patiënten had HFpEF, 21.4% had HFmrEF en 55.4% had HFrEF. De prevalentie van IHD was in deze subgroepen respectievelijk 52.4%, 60.7% en 60.0%.
  • HFpEF werd geassocieerd met een lagere prevalentie IHD dan bij zowel HFmrEF (gecorrigeerd RR 0.91, 95% CI 0.89-0.93) als HFrEF (RR 0.90, 95% CI 0.88-0.92), terwijl er geen verschil was tussen HFmrEF en HFrEF (RR 1.00, 95% CI 0.98-1.01).
  • Tijdens de mediane follow-up van 2.2 jaar waren er 9.629 nieuwe niet-fatale of fatale IHD events, 16.005 niet-fatale of fatale HF events, 26.734 niet-fatale of fatale CV events en 16.866 events van sterfte door alle oorzaken.
  • Na volledige correctie was het risico op nieuwe IHD events lager bij HFpEF dan bij zowel HFmrEF (HR 0.89, 95% CI 0.84-0.95) als HFrEF (HR 0.84, 95% CI 0.80-0.90), maar alleen marginaal lager bij HFmrEF versus HFrEF (HR 0.95, 95% CI 0.90-1.00).
  • In alle 3 HF categorieën was veel voorkomende IHD onafhankelijk geassocieerd met een verhoogd risico op alle 4 de primaire/secundaire studie-uitkomsten, behalve voor sterfte door alle oorzaken bij HFpEF.
  • De sterkste associaties die gezien waren, betroffen het krijgen nieuwe IHD events waarbij het risico 3-voudig verhoogd was voor HFrEF-patiënten met IHD versus geen IHD op baseline en meer dan verdubbeld voor HFmrEF en HFpEF-patiënten met IHD versus geen IHD op baseline.
  • Het risico op HF geassocieerd met baseline IHD was een klein beetje en vergelijkbaar verhoogd bij alle HF categorieën, terwijl het risico op CV events en sterfte door alle oorzaken iets groter leek te zijn bij HFrEF dan bij HFmrEF en HFpEF.
  • Meer dan een derde van de HFpEF en HFmrEF-patiënten kregen verslechterend EF tijdens follow-up, terwijl deze bij ongeveer een vierde van de HFmrEF en HFrEF-patiënten beter werd.
  • Patiënten met IHD, en met name nieuwe IHD events, hadden meer kans op verslechterend EF en minder kans op het verbeteren van EF gedurende de tijd.
 

Conclusie

In het Zweedse hartfalenregister leek HFmrEF meer op HFrEF dan op HFpEF, wanneer gekeken werd naar IHD als onderliggende oorzaak en hadden HFmrEF en HFrEF-patiënten een hoger risico op ischemische events dan HFpEF-patiënten. Vastgestelde IHD had een negatieve impact op de meeste studie-uitkomsten bij alle HF subtypes, hoewel dit het meest gold voor nieuwe IHD events en bij HFrEF. Deze resultaten zijn van belang bij toekomstige onderzoeksstrategieën voor preventie en behandeling van verschillende types HF en IHD.  
 
Vind deze publicatie online op Circ. Heart Fail.
 

Referenties

1. Ponikowski P, Voors AA, Anker SD, et al. 2016 ESC Guidelines for the diagnosis and treatment of acute and chronic heart failure: the Task Force for the diagnosis and treatment of acute and chronic heart failure of the European Society of Cardiology (ESC) Developed with the special contribution of the Heart Failure Association (HFA) of the ESC. Eur Heart J. 2016;37:2129–2200.
2. Lam CS, Solomon SD. The middle child in heart failure: heart failure with mid-range ejection fraction (40-50%). Eur J Heart Fail. 2014;16:1049–1055.
3. Gottdiener JS, McClelland RL, Marshall R, et al. Outcome of congestive heart failure in elderly persons: influence of left ventricular systolic function. The Cardiovascular Health Study. Ann Intern Med. 2002;137:631–639.
4. Lee DS, Gona P, Vasan RS, et al. Relation of disease pathogenesis and risk factors to heart failure with preserved or reduced ejection fraction: insights from the Framingham heart study of the national heart, lung, and blood institute. Circulation. 2009;119:3070–3077.
5. Badar AA, Perez-Moreno AC, Hawkins NM, et al. Clinical characteristics and outcomes of patients with angina and heart failure in the CHARM (Candesartan in Heart Failure Assessment of Reduction in Mortality and Morbidity) Programme. Eur J Heart Fail. 2015;17:196–204.