Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

SGLT2-remmer verbetert HF uitkomsten en CV sterfte in HF-patiënten ongeacht T2DM status

Nieuws - Sep. 19, 2019

Dapagliflozine, dat al gebruikt wordt om succesvol T2DM te behandelen en ontwikkeling van hartfalen (HF) te voorkomen, kan ook worden gebruikt om al bestaand HF te behandelen, zelfs in patiënten zonder T2DM. Dit zijn de conclusies van onderzoek gepresenteerd tijdens de Annual Meeting van de European Association for the Study of Diabetes (EASD) in Barcelona, Spanje (16-20 september), en gelijktijdig gepubliceerd in het New England Journal of Medicine (NEJM). Dapagliflozine is een van de relatief nieuwe klassen diabetesmedicatie genaamd sodium-glucose cotransporter 2 (SGLT2)-remmers. Eerdere studies hebben aangetoond dat SGLT2-remmers niet alleen helpen glucose te reguleren, maar ze kunnen ook een aantal CV uitkomsten verbeteren, waaronder stimuleren van gewichtsverlies, verlagen van de bloeddruk en risico op CV sterfte verlagen. Van dapagliflozine is al aangetoond dat het het risico op ontwikkelen van HF in patiënten met T2DM verlaagt. In deze studie werd onderzocht of het middel ook gebruikt kan worden om patiënten met T2DM met vastgesteld HF, evenals in patiënten zonder T2DM. De DAPA-HF studie includeerde 4744 patiënten met HF met verminderde ejectiefractie (HFrEF) in 20 landen, van wie 45% T2DM had en 55% niet. Patiënten werden gerandomiseerd naar ofwel dapagliflozine 10 mg eenmaal daags of gematchedte placebo. Het primaire eindpunt was een combinatie van een eerste episode van verslechterend HF (ziekenhuisopname voor HF of een urgent HF bezoek met noodzaak tot intraveneuze therapie) of sterfte van CV oorzaken. De behandelingen werden gegeven in aanvulling op standaardzorg: 94% kreeg een ACE-remmer of ARNI; 96% nam een bètablokker; en 71% nam een MRA. De onderzoekers vonden dat, gedurende een mediane follow-up van 18.2 maanden, het primaire eindpunt optrad in 386 van de 2373 patiënten (16.3%) in de dapagliflozinegroep en in 502 van de 2371 patiënten (21.2%) in de placebogroep. Dit vertaalt zich in een 26% lager risico met dapagliflozine (HR: 0.74, 95%CI: 0.65–0.85, p<0.00001). De resultaten waren vergelijkbaar in de groepen met T2DM (HR: 0.75) en zonder T2DM (HR: 0.73). De componenten van het primaire eindpunt werden ook apart geanalyseerd. Totaal 237 patiënten (10.0%) die dapagliflozine kregen en 326 (13.7%) op placebo maakten een eerste episode van verslechterend HF door, wat een 30% reductie voor de dapagliflozinegroep betekent (HR 0.70; 95% CI 0.59–0.83; p<0.00004). Respectievelijk 227 (9.6%) en 273 (11.5%) stierven door CV oorzaken, wat een 18% lager risico geeft in de dapagliflozinegroep (HR 0.82; 95% CI 0.69–0.98; p=0.03). Algemene sterfte verminderde met 17% (HR 0.83, 95%CI 0.71-0.97; p=0.22). Symptomen, zoals geschat met de Kansas City Cardiomyopathy Questionnaire, waren ook verbeterd (p<0.001). 178 Patiënten 97.5%) in de dagaliflozinegroep hadden een nadelig event gerelateerd aan volumedepletie, ten opzichte van 162 (6.8%) in de placebogroep, zonder een verschil tussen de groepen. Nadelige events gerelateerd aan nierdysfunctie traden op in 153 (6.5%) patiënten op dapagliflozine vs. 170 (7.2%) patiënten op placebo, zonder een significant verschil. Majeure hypoglycemie en onderbeenamputatie en breuken kwamen weinig voor en traden in vergelijkbare mate op in de twee behandelgroepen. Bron: persbericht EASD 19 september 2019

De DAPA-HF resultaten werden gelijktijdig gepubliceerd in NEJM Zie ook onze berichtgeving over DAPA-HF zoals gepresenteerd tijdens ESC 2019

Deel deze pagina met collega's en vrienden: