Dapagliflozine voorkomt AF-recidief niet na ablatie bij patiënten zonder indicatie voor SGLT2-remmer
AHA 2025 – Kortdurende dapagliflozinebehandeling leidde niet tot minder AF-recidieven 3 maanden na katheterablatie bij patiënten met persistent AF en zonder indicatie voor een SGLT2-remmer, vergeleken met de gebruikelijke zorg.
Deze samenvatting is gebaseerd op de presentatie van Dr. Zixu Zhao (Beijing, China) tijdens de AHA Scientific Sessions 2025 - Dapagliflozin to Reduce Atrial Fibrillation Burden After Catheter Ablation for Atrial Fibrillation in Patients Without Diabetes or Heart Failure: The DARE-AF Randomized Clinical Trial.
Introductie en methoden
Eerdere observationele studies suggereren dat behandeling met een SGLT2-remmer het risico op recidiverend AF na katheterablatie kan verlagen bij AF-patiënten met gelijktijdige diabetes, HF of CNS. Er zijn echter geen gegevens uit gerandomiseerde studies over het effect van SGLT2-remmers op de preventie van een vroeg AF-recidief na katheterablatie bij patiënten zonder klasse I-indicatie voor deze medicatie.
De DARE-AF-studie (Dapagliflozin on Recurrence After Catheter Ablation for Atrial Fibrillation) was een open-label-RCT met parallelle groepen die werd uitgevoerd in het Beijing Anzhen Hospital in Beijing, China. In totaal werden 200 patiënten met persisterend AF die voor het eerst een katheterablatie zouden ondergaan en geen klasse I-indicatie voor dapagliflozine hadden (diabetes, HF of CNS) gerandomiseerd naar dapagliflozine 10 mg eenmaal daags gedurende 3 maanden na de ablatie, naast de gebruikelijke zorg, of alleen gebruikelijke zorg.
De primaire uitkomstmaat was de AF-last 3 maanden na de ablatie, zoals beoordeeld met een 1-afleiding-ECG-patch die gedurende 7 dagen werd gedragen. De secundaire uitkomstmaten waren een AF-recidief, echocardiografische verandering van de linkeratriumstructuur en de kwaliteit van leven, beoordeeld met de AF Effect on Quality-of-Life Questionnaire (AFEQT), na 3 maanden.
Belangrijkste resultaten
- In de intention-to-treat-analyse was er geen verschil in het optreden van de primaire uitkomstmaat van AF-last 3 maanden na ablatie tussen patiënten die werden behandeld met dapagliflozine en die in de controlegroep (gemiddelde ± SD: 7,5 ± 23,6% vs. 8,1 ± 25,5%; P=0,48).
- De cumulatieve incidentie van een AF-recidief na 3 maanden was 29,6% in de dapagliflozingroep en 28,0% in de controlegroep (HR: 1,11; 95%BI: 0,66-1,86; P=0,70).
- Na 3 maanden was er ook geen verschil in de verandering in de anterieur-posterieure diameter van het linkeratrium (gemiddeld verschil: -0,17; 95%BI: -1,40 tot 1,06; P=0,87) of in de verandering in de AFEQT-score (gemiddeld verschil: -1,36; 95%BI: -7,80 tot 5,08; P=0,68) tussen de 2 groepen.
- De frequentie van ernstige nadelige events was vergelijkbaar in de dapagliflozine- en controlegroep (11,0% vs. 10,0%). Tijdens de follow-up overleden 2 patiënten die waren gerandomiseerd naar dapagliflozine (als gevolg van een MI of hartstilstand), wat niet geassocieerd was met het studiegeneesmiddel.
Conclusie
In deze monocentrische open-label-RCT leidde behandeling gedurende 3 maanden met dapagliflozine niet tot minder vroegtijdige AF-recidieven na katheterablatie bij patiënten met persistent AF en zonder vastgestelde indicatie voor behandeling met een SGLT2-remmer, in vergelijking met alleen gebruikelijke zorg. Dr. Zixu Zhao concludeerde dat “de resultaten suggereren dat de mogelijke antiaritmische effecten van SGLT2-remmers mogelijk komen door verbetering van een onderliggende cardiometabole aandoening in plaats van een directe antiaritmische werking”.
- Onze rapportage is gebaseerd op de informatie die tijdens de AHA Scientific Sessions 2025 is verstrekt -
