De 10 belangrijkste punten van de nieuwe 2026 dyslipidemierichtlijn
18/03/2026
De 2026 ACC/AHA/AACVPR/ABC/ACPM/ADA/AGS/APhA/ASPC/NLA/PCNA-richtlijn voor de behandeling van dyslipidemie bevat geactualiseerde en nieuwe aanbevelingen voor de behandeling van patiënten met dyslipidemie, waaronder hypercholesterolemie, hypertriglyceridemie en verhoogde Lp(a)-waarden.
De richtlijncommissie heeft de belangrijkste aanbevelingen samengevat in de volgende tien kernboodschappen:
- Behandel dyslipidemie eerder om levenslange blootstelling aan atherogene lipoproteïnen te verminderen. Dit omvat vroegtijdige leefstijlinterventie bij jongeren en overweging van medicamenteuze therapie bij hoogrisicojongeren (zoals FH) en -jongvolwassenen.
- Gebruik de PREVENT™-risicomodellen in plaats van de Pooled Cohort Equations (PCE) voor 10- en 30-jaars risicobeoordeling en pas het CPR-model toe: Calculeren, Personaliseren, Herclassificeren en Herbeoordelen.
- LDL-verlagende therapie kan in de primaire preventie worden overwogen bij een geschat 10-jaars PREVENT-ASCVD-risico van 3%–<5% en moet worden overwogen bij een geschat risico van ≥5%–<10% na een arts-patiëntgesprek.
- LDL-c- en non-HDL-c-doelen zijn opnieuw ingevoerd om lipidenverlagende therapie te sturen.
- ApoB-meting kan de risicobeoordeling verbeteren en therapie sturen, vooral bij patiënten met hoge triglyceriden, diabetes of een laag behaalde LDL-c.
- Lp(a) moet ten minste eenmaal worden gemeten, waarbij verhoogde waarden aanleiding geven tot intensievere risicofactorbehandeling.
- CAC-scoring bij mannen ≥40 jaar en vrouwen ≥45 jaar kan de risicostratificatie verbeteren en helpen behandeldoelen te bepalen.
- In de primaire preventie wordt LDL-verlagende therapie aanbevolen ongeacht LDL-c bij volwassenen (40–75 jaar) met diabetes, CNS of HIV. Bij volwassenen >75 jaar kan LDL-verlagende therapie worden overwogen in combinatie met leefstijlinterventies om het ASCVD-risico te verlagen.
- In de secundaire preventie worden behandeldoelen van LDL-c <55 mg/dl (1,4 mmol/l) en non-HDL-c <85 mg/dl (2,2 mmol/l) aanbevolen bij patiënten met een zeer hoog risico op ASCVD-events.
- Bij patiënten met verhoogde triglyceriden blijven statines de basistherapie om het ASCVD-risico te verlagen, met aanvullende triglyceriden-verlagende therapieën ter vermindering van het risico op pancreatitis.
