Effect van lichamelijke activiteit gedurende een week versus alleen in weekend op sterfterisico
In een analyse van 2 grote prospectieve cohorten was ≥150 min per week bewegen geassocieerd met een lager risico op totale, cardiovasculaire en kankerspecifieke sterfte vergeleken met inactiviteit. Het maakte niet uit of deelnemers de hele week actief waren of voornamelijk gedurende 1-2 dagen (‘weekendstrijder’).
Deze samenvatting is gebaseerd op de publicatie van Ren R, Wang W, Liu Q, et al. - Dual Cohort Insights Into Accelerometer-Derived Weekend Warrior Physical Activity and Its Impact on Mortality. J Am Heart Assoc. 2025 May 26:e039852 [Online ahead of print]. doi: 10.1161/JAHA.124.039852.
Introductie en methoden
Achtergrond
Aangezien matige tot intensieve lichamelijke activiteit (moderate‐to‐vigorous physical activity, MVPA) het risico op totale, cardiovasculaire en kankerspecifieke sterfte vermindert [1-3], raden richtlijnen voor lichamelijke activiteit ≥150 min matige aerobe lichaamsbeweging per week aan [4-6]. Het is echter onduidelijk of concentratie van een equivalente totale MVPA-tijd in 1-2 sessies per week (hierna ‘weekendstrijder’-activiteit genoemd) of gelijkmatigere verdeling over de week resulteert in een vergelijkbare reductie van het sterfterisico.
Doel van de studie
De auteurs onderzochten de relatie van MVPA volgens het weekendstrijderpatroon versus gelijkmatig gespreide MVPA (gebaseerd op metingen met een versnellingsmeter) met het risico op totale, cardiovasculaire en kankerspecifieke sterfte.
Methoden
Gegevens over lichamelijke activiteit op basis van versnellingsmeters werden verzameld uit 2 prospectieve, longitudinale, observationele cohortstudies: de UK Biobank (tijdsperiode 2013-2015; n=89.488) en de uit de VS afkomstige National Health and Nutrition Examination Survey (NHANES; 2003-2006; n=6198). De mediane follow-upduur was respectievelijk 6,9 en 6,0 jaar. Sterftecijfers werden verkregen uit nationale overlijdensregisters. De studiedeelnemers werden verdeeld in 3 categorieën: actieve weekendstrijders (d.w.z.: ≥150 min MVPA per week met ≥50% gedurende 1-2 dagen, die niet in het weekend hoefden te zijn), regelmatig actieve deelnemers (d.w.z.: ≥150 min MVPA per week met een gelijkmatigere verdeling over de week) en inactieve deelnemers (d.w.z.: <150 min MVPA per week).
Belangrijkste resultaten
- Voor het UK Biobank-cohort liet Cox-regressieanalyse, die was gecorrigeerd voor baselinevariabelen zoals leeftijd, geslacht, BMI, rookstatus, gezonde voeding en comorbiditeitsscore, zien dat het risico op totale sterfte lager was bij weekendstrijders (gecorrigeerde HR: 0,70; 95%BI: 0,65-0,75) en bij regelmatig actieve deelnemers (gecorrigeerde HR: 0,78; 95%BI: 0,71-0,85) dan bij inactieve deelnemers.
- Vergeleken met inactieve deelnemers was het risico op cardiovasculaire sterfte ook verlaagd bij weekendstrijders (gecorrigeerde HR: 0,67; 95%BI: 0,57-0,80) en bij degenen met regelmatige activiteit gedurende de gehele week (gecorrigeerde HR: 0,73; 95%BI: 0,59-0,90), evenals het risico op kankerspecifieke sterfte (gecorrigeerde HR: 0,79; 95%BI: 0,71-0,87 vs. gecorrigeerde HR: 0,83; 95%BI: 0,73-0,94).
- Wanneer lichamelijke activiteit werd gedefinieerd als de mediaan van de MVPA of het 25e of 75e percentiel van de steekproef, waren er soortgelijke bevindingen.
- Voor het Amerikaanse NHANES-cohort werden vergelijkbare resultaten gevonden, met significant lagere sterftecijfers bij de door richtlijnen aanbevolen MVPA-drempel (150 min) en de drempel van het 25e percentiel van de steekproef.
Conclusie
Deze analyse van 2 grote prospectieve cohorten uit het VK en de VS toonde dat MVPA geconcentreerd binnen 1-2 dagen of gelijkmatiger verspreid over de week geassocieerd was met een vergelijkbare vermindering van het risico op totale, cardiovasculaire en kankerspecifieke sterfte in vergelijking met inactiviteit. Volgens de auteurs "impliceert dit dat het cumulatieve volume van lichamelijke activiteit, in plaats van de frequentie of de spreiding in de tijd, de belangrijkste determinant is van gezondheidsuitkomsten”. Daarnaast geven ze het volgende advies: “Mensen kunnen een aanpak kiezen die het beste aansluit bij hun dagelijkse routine.”
Referenties
- Sattelmair J, Pertman J, Ding EL, Kohl HW, Haskell W, Lee IM. Dose response between physical activity and risk of coronary heart disease: a meta-analysis. Circulation. 2011;124:789–795. doi: 10.1161/CIRCULATIONAHA.110.010710
- Hupin D, Roche F, Gremeaux V, Chatard JC, Oriol M, Gaspoz JM, Barthélémy JC, Edouard P. Even a low-dose of moderate-to-vigorous physical activity reduces mortality by 22% in adults aged ≥60 years: a systematic review and meta-analysis. Br J Sports Med. 2015;49:1262–1267. doi: 10.1136/bjsports-2014-094306
- Stamatakis E, Ahmadi MN, Friedenreich CM, Blodgett JM, Koster A, Holtermann A, Atkin A, Rangul V, Sherar LB, Teixeira-Pinto A, et al. Vigorous intermittent lifestyle physical activity and cancer incidence among nonexercising adults: the UK biobank accelerometry study. JAMA Oncol. 2023;9:1255–1259. doi: 10.1001/jamaoncol.2023.1830
- Bull FC, Al-Ansari SS, Biddle S, Borodulin K, Buman MP, Cardon G, Carty C, Chaput JP, Chastin S, Chou R, et al. World Health Organization 2020 guidelines on physical activity and sedentary behaviour. Br J Sports Med. 2020;54:1451–1462. doi: 10.1136/bjsports-2020-102955
- Department of Health and Social Care. UK chief medical officers’ physical activity guidelines. 2019 Accessed July 23, 2024. https://www.gov.uk/government/publications/physical-activity-guidelines-uk-chief-medical-officers-report.
- Arnett DK, Blumenthal RS, Albert MA, Buroker AB, Goldberger ZD, Hahn EJ, Himmelfarb CD, Khera A, Lloyd-Jones D, McEvoy JW, et al. ACC/AHA guideline on the primary prevention of cardiovascular disease: a report of the American College of Cardiology/American Heart Association task force on clinical practice guidelines. Circulation. 2019;140:e596–e646. doi: 10.1161/CIR.0000000000000678