Effect van vutrisiran consistent ongeacht tafamidisgebruik bij aanvang bij ATTR-CM

ESC Congress 2026

ESC-congres 2026 – In een vooraf gespecificeerde subgroepanalyse van HELIOS-B waren de behandelingseffecten van vutrisiran op klinische uitkomsten bij patiënten met ATTR-CM over het algemeen consistent, ongeacht het gebruik van tafamidis bij studieaanvang. De geschatte effecten waren echter kleiner bij patiënten die bij aanvang tafamidis gebruikten dan bij patiënten die geen tafamidis gebruikten.

Deze samenvatting is gebaseerd op de presentatie van dr. Yasuhiro Hamatani (Boston, MA, VS) tijdens het ESC-congres 2026 - Effect of Vutrisiran According to Baseline Tafamidis Use in Transthyretin Amyloidosis with Cardiomyopathy.

Introductie en methoden

Transthyretine-amyloïdcardiomyopathie (ATTR-CM) is een progressieve aandoening die wordt veroorzaakt door afzetting van transthyretine(TTR)-amyloïd in het myocard. Beschikbare ziektemodificerende behandelingen zijn onder andere TTR-stabilisatoren, zoals tafamidis en acoramidis, en gensilencers, zoals vutrisiran. Hoewel het combineren van deze behandelingen mechanistisch aantrekkelijk is, is het bewijs voor deze behandelstrategie beperkt.

In de fase 3-HELIOS-B-studie verlaagde vutrisiran het risico op totale sterfte en terugkerende CV-events bij patiënten met ATTR-CM in vergelijking met placebo. Tafamidisgebruik bij aanvang van de studie was toegestaan, waardoor het effect van vutrisiran kon worden geëvalueerd bij patiënten die al een TTR-stabilisator gebruikten. In deze vooraf gespecificeerde subgroepanalyse van HELIOS-B onderzochten de onderzoekers of de behandelingseffecten van vutrisiran verschilden naargelang het gebruik van tafamidis bij studieaanvang.

HELIOS-B was een wereldwijde, multicentrische, gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie waarin 654 patiënten met wildtype of erfelijke ATTR-CM en een voorgeschiedenis van symptomatisch HF werden gerandomiseerd naar subcutaan vutrisiran 25 mg of placebo, elke 3 maanden gedurende maximaal 36 maanden. Bij studieaanvang gebruikten 259 patiënten (40%) tafamidis. De mediane duur van het tafamidisgebruik vóór randomisatie was 11 maanden.

De primaire uitkomstmaat was de samenstelling van totale sterfte en terugkerende CV-events tijdens de dubbelblinde behandelperiode van maximaal 36 maanden.

Belangrijkste resultaten

  • Patiënten die bij studieaanvang tafamidis gebruikten, waren iets jonger en hadden over het algemeen een minder gevorderde ziekte, waaronder lagere NT-proBNP-waarden, een grotere 6-minutenloopafstand (6MWD) en een hogere KCCQ-OSS.
  • Het effect van vutrisiran op de primaire uitkomstmaat was in dezelfde richting bij patiënten met en zonder tafamidisgebruik bij studieaanvang:
    • Met tafamidisgebruik bij aanvang: rateratio: 0,79; 95%BI: 0,51–1,21.
    • Zonder tafamidisgebruik bij aanvang: rateratio: 0,67; 95%BI: 0,49–0,93.
    • Er was geen statistisch significante interactie naar tafamidisgebruik bij studieaanvang (P voor interactie=0,55).
  • Er werden geen significante interacties naar tafamidisgebruik bij studieaanvang waargenomen voor:
    • Tijd tot eerste event van totale sterfte of een CV-event (P voor interactie=0,26).
    • Totale sterfte tot en met 42 maanden (P voor interactie=0,75).
    • Terugkerende CV-events (P voor interactie=0,48).
    • Tijd tot het eerste CV-event (P voor interactie=0,21).
    • Tijd tot het eerste event van totale sterfte, een CV-event of een event van verslechterend HF (P voor interactie=0,39).
  • Hoewel de behandelingseffecten op de klinische uitkomsten in dezelfde richting wezen, waren de effectschattingen numeriek kleiner bij patiënten die bij aanvang tafamidis gebruikten. In deze subgroep waren de 95%BI’s breed en omvatten deze 1,0.
  • Er waren geen aanwijzingen voor heterogeniteit van het behandelingseffect in de vooraf gespecificeerde subgroepen op basis van leeftijd, ATTR-type, NYHA-klasse en NT-proBNP-waarde.
  • Na 30 maanden behield vutrisiran de 6MWD zowel bij patiënten die bij aanvang tafamidis gebruikten (placebogecorrigeerd verschil: 18,4 m; 95%-BI: 0,5–36,4) als bij patiënten die geen tafamidis gebruikten (32,1 m; 95%-BI: 14,0–50,2), zonder significante interactie (P voor interactie=0,24).
  • Na 30 maanden bedroeg het placebogecorrigeerde verschil in KCCQ-OSS met vutrisiran 1,8 punten (95%BI: −2,8 tot 6,3) bij patiënten die bij aanvang tafamidis gebruikten en 8,7 punten (95%BI: 4,0–13,4) bij patiënten die geen tafamidis gebruikten (P voor interactie=0,007).
  • De veiligheidsuitkomsten waren vergelijkbaar tussen vutrisiran en placebo, ongeacht het gebruik van tafamidis bij studieaanvang.

Conclusie

In deze vooraf gespecificeerde subgroepanalyse van HELIOS-B waren er geen statistisch significante aanwijzingen dat tafamidisgebruik bij aanvang het effect van vutrisiran op de primaire uitkomstmaat bij patiënten met ATTR-CM modificeerde. De behandelingseffecten van vutrisiran wezen bij alle onderzochte klinische eindpunten in dezelfde richting, hoewel de geschatte effecten kleiner waren bij patiënten die bij aanvang tafamidis gebruikten dan bij patiënten die geen tafamidis gebruikten. Dr. Hamatani merkte op: “Omdat de bevindingen in de subgroep met tafamidisgebruik bij aanvang niet statistisch significant waren en deze subgroep onvoldoende statistische power had, moeten ze in grotere studies worden bevestigd.”

- Onze rapportage is gebaseerd op de informatie die tijdens het ESC-congres 2026 is verstrekt -

De bevindingen van deze studie werden tegelijkertijd gepubliceerd in J Am Coll Cardiol.

Registreren

We zijn blij te zien dat je geniet van CVGK…
maar wat dacht u van een meer gepersonaliseerde ervaring?

Registreer gratis