Eplontersen verlaagt CV-sterfte of terugkerende CV-events niet in een hedendaagse ATTR-CM-populatie

ESC-congres 2026 – In de fase 3 CARDIO-TTRansform-studie verlaagde eplontersen het samengestelde eindpunt van CV-sterfte of terugkerende CV-events niet significant ten opzichte van placebo bij patiënten met ATTR-CM die hedendaagse standaardbehandeling kregen, ondanks een significante verlaging van de serum-TTR-waarden.
Deze samenvatting is gebaseerd op de presentatie van Mathew Maurer (New York, NY, VS) tijdens het ESC-congres 2026 - CARDIO-TTRansform: efficacy and safety of eplontersen in patients with transthyretin amyloid cardiomyopathy.
Introductie en methoden
Transthyretine-gemedieerde amyloïdcardiomyopathie (ATTR-CM) is een progressieve, fatale aandoening die wordt veroorzaakt door extracellulaire afzetting van TTR-fibrillen in het myocard. Ondanks vooruitgang in de behandeling blijft de morbiditeits- en mortaliteitslast bij patiënten met ATTR-CM aanzienlijk. Eplontersen is een GalNAc-geconjugeerd antisense-oligonucleotide dat de productie van TTR in de lever vermindert.
CARDIO-TTRansform is een internationale, multicentrische, dubbelblinde, gerandomiseerde, placebogecontroleerde fase 3-studie waarin de werkzaamheid en veiligheid van eplontersen bij patiënten met ATTR-CM werden onderzocht binnen het hedendaagse behandellandschap, waarin TTR-stabilisatoren tot de standaardbehandeling behoren.
In totaal werden 1432 volwassen patiënten met ATTR-CM die standaardbehandeling kregen in een 1:1-verhouding gerandomiseerd naar eplontersen (45 mg SC elke 4 weken) of placebo gedurende 140 weken. Na week 140 konden patiënten deelnemen aan een open-label extensiestudie of aan een post-treatment evaluatieperiode van 20 weken tot en met week 160.
Bij aanvang van de studie gebruikten 819 patiënten (57,2%) een TTR-stabilisator. Daarnaast startten in elke behandelgroep 174 patiënten die bij aanvang geen TTR-stabilisator gebruikten tijdens de studie met een TTR-stabilisator, tot en met week 160. De gemiddelde leeftijd was 76,4 jaar en 90,6% was man.
Het primaire eindpunt was een samengesteld eindpunt van CV-sterfte en terugkerende klinische CV-events. Secundaire eindpunten werden in de volgende hiërarchische volgorde getoetst: verandering in 6MWT-afstand na 140 weken; verandering in KCCQ-OS-score na 140 weken; totaal aantal terugkerende CV-events tot en met week 140; totale sterfte tot en met week 160 en 140; events van het primaire eindpunt bij patiënten die bij aanvang een TTR-stabilisator gebruikten tot en met week 140; en CV-sterfte tot en met week 160 en 140.
Belangrijkste resultaten
- Eplontersen verlaagde de serum-TTR-waarden na 140 weken significant ten opzichte van placebo (LSM-verschil: –79,4%; 95%BI: –83,5 tot –75,3).
- Na 140 weken verschilde het samengestelde eindpunt van CV-sterfte of terugkerende CV-events niet tussen de eplontersen- en placebogroep (RR: 0,89; 95%BI: 0,73–1,09; P=0,277).
- Het behandelingseffect was grotendeels consistent tussen de subgroepen, met uitzondering van het gebruik van een TTR-stabilisator bij studieaanvang en het NAC-stadium (P voor interactie<0,05).
- Bij patiënten die bij studieaanvang geen TTR-stabilisator gebruikten, verlaagde eplontersen het risico op het primaire eindpunt ten opzichte van placebo (RR: 0,71; 95%BI: 0,54–0,93). Daarentegen werd geen risicoreductie gezien bij patiënten die bij studieaanvang wel een TTR-stabilisator gebruikten (RR: 1,14; 95%BI: 0,85–1,53; P voor interactie=0,017).
- Na 140 weken was behandeling met eplontersen geassocieerd met een gunstig effect op de 6MWT (LSM-verschil: 19,7 m; 95%BI: 9,9–29,6; P<0,001) en kwaliteit van leven (LSM-verschil in KCCQ-OS-score: 4,0 punten; 95%BI: 2,0–6,0; P<0,001).
- Eplontersen werd over het algemeen goed verdragen en er werden geen nieuwe veiligheidssignalen waargenomen.
Conclusie
In de CARDIO-TTRansform-studie verlaagde eplontersen het primaire samengestelde eindpunt van CV-sterfte of terugkerende CV-events niet significant ten opzichte van placebo in een hedendaagse populatie van patiënten met ATTR-CM die standaardbehandeling kregen, waaronder TTR-stabilisatoren, ondanks een aanzienlijke verlaging van de circulerende serum-TTR-waarden.
De resultaten voor het primaire eindpunt leken te verschillen naar gelang het gebruik van een TTR-stabilisator bij aanvang van de studie. Er was geen duidelijk voordeel van eplontersen bij patiënten die al een TTR-stabilisator gebruikten, terwijl bij patiënten die bij aanvang geen TTR-stabilisator gebruikten minder events van het primaire eindpunt werden waargenomen met eplontersen.
- Onze rapportage is gebaseerd op de informatie die tijdens het ESC-congres 2026 is verstrekt en de publicatie in N Engl J Med. -
