1. Startpagina
  2. Nieuws en literatuur
  3. Acuut coronair syndroom

Evolocumab bevordert plaquestabilisatie bij NSTEMI-patiënten met hoog Lp(a)

In een post-hocanalyse van HUYGENS onder NSTEMI-patiënten vergrootte evolocumab plus statinetherapie de fibreuze-kapseldikte en verminderde het de lipidenboog vergeleken met statinemonotherapie bij deelnemers met Lp(a) ≥125 nmol/l bij studieaanvang, maar niet bij die met een lagere Lp(a)-waarde.

Deze samenvatting is gebaseerd op de publicatie van Di Giovanni G, Fujino M, Kataoka Y, et al. - Impact of evolocumab on plaque phenotypic changes in patients with acute coronary syndrome and elevated lipoprotein(a) levels: a HUYGENS secondary analysis. Eur J Prev Cardiol. 2025 Apr 8:zwaf211 [Online ahead of print]. doi: 10.1093/eurjpc/zwaf211.

Introductie en methoden

Achtergrond

Een verhoogde Lp(a)-waarde is geassocieerd met kenmerken van een kwetsbare plaque, waaronder een dun fibreus kapsel en een grote lipiden-pool, bij optische coherentietomografie (OCT) [1-3]. PCSK9-remmers verlagen de Lp(a)-waarde, wat gerelateerd is aan een vermindering van het aantal cardiovasculaire events [4,5]. In de HUYGENS-studie (High-Resolution Assessment of Coronary Plaques in a Global Evolocumab Randomized Study) resulteerde toevoeging van evolocumab aan statinetherapie in een grotere toename van de minimale fibreuze-kapseldikte (fibrous cap thickness, FCT) en een grotere afname van de lipideninhoud van de plaque, zoals beoordeeld met OCT, vergeleken met statinemonotherapie bij patiënten met een NSTEMI [6]. Het effect van evolocumab op kwetsbare-plaquekenmerken bij patiënten met ACS en variërende Lp(a)-waarden is echter onbekend.

Doel van de studie

In een post-hocanalyse van de HUYGENS-studie onderzochten de auteurs of de Lp(a)-baselinewaarde van invloed is op het behandeleffect van evolocumab in combinatie met statinetherapie op de kwetsbare-plaquekenmerken bij NSTEMI-patiënten.

Methoden

De HUYGENS-studie was een internationale, multicentrische, dubbelblinde, placebogecontroleerde fase 3-RCT waarin 164 patiënten die klinisch geïndiceerde coronaire angiografie ondergingen voor een NSTEMI, met interventionele behandeling van de oorzakelijke plaque, werden gerandomiseerd naar subcutaan evolocumab 420 mg per maand of placebo gedurende 52 weken, naast maximaal getolereerde statinetherapie. Tot de inclusiecriteria behoorden angiografische stenose 20-50% in een niet-oorzakelijk bloedvat, een verhoogde LDL-c-waarde (afhankelijk van het gebruik van statinetherapie) en bewijs voor plaquekwetsbaarheid bij aanvang van de studie (d.w.z.: ≥1 OCT-beeld met FCT ≤120 μm en ≥1 OCT-beeld met lipidenboog >90° in een segment). De deelnemers ondergingen OCT van een niet-oorzakelijk vat bij studieaanvang en na 50 weken. Een Lp(a)-baselinemeting en seriële OCT-scans waren beschikbaar voor 117 patiënten.

Belangrijkste resultaten

  • In de groep patiënten met een hoge Lp(a)-waarde bij studieaanvang (≥125 nmol/l; n=46) hadden de deelnemers die werden behandeld met evolocumab een lagere gemiddelde ± SD LDL-c-waarde (21,7 ± 10,3 vs. 94. 5 ± 22,9 mg/dl; P<0,001) en lagere mediane Lp(a)-waarde (156,0 nmol/l; IQR: 136,0-187,0 vs. 204,0 nmol/l; IQR: 170,5-290,5; P=0,007) bij follow-up dan degenen die placebo kregen.
  • Ook bij patiënten met Lp(a) <125 nmol/l bij studieaanvang (n=71) resulteerde evolocumab-behandeling in een lagere gemiddelde ± SD LDL-c-waarde (23,3 ± 34,9 vs. 82,9 ± 46,5 mg/dl; P<0,001) en lagere mediane Lp(a)-waarde (11,5 nmol/l; IQR: 5,8-23,8 vs. 25,0 nmol/l; IQR: 13,5-41,0; P=0,01) vergeleken met placebo.
  • Bij de studieaanvang was er geen verschil in OCT-plaqueparameters tussen patiënten met een hoge en die met een lage Lp(a)-waarde (alle P>0,05).
  • Onder deelnemers met Lp(a) ≥125 nmol/l bij studieaanvang was de gemiddelde ± SD verandering vanaf de studieaanvang tot 50 weken in de minimale FCT (51,6 ± 40,9 vs. 12,4 ± 23,9 μm; P<0,001) en maximale lipidenboog (-60,9 ± 56,5° vs. -9,1 ± 70,8°; P=0,008) groter met evolocumab dan met placebo.
  • In de groep met een lage Lp(a)-waarde bij studieaanvang was er echter geen verschil in de gemiddelde ± SD verandering in de minimale FCT (45,9 ± 37,8 vs. 34,7 ± 36,0 μm; P=0,21) of maximale lipidenboog (-59,9 ± 50,1° vs. -44,5 ± 46,1°; P=0,18) tussen evolocumab- en placebobehandelde patiënten.
  • Er werd een interactie waargenomen tussen de Lp(a)-baselinewaarde en het behandeleffect van evolocumab op de verandering in de minimale FCT (P voor interactie=0,04).

Conclusie

Deze post-hocanalyse van de HUYGENS-studie onder NSTEMI-patiënten toonde dat behandeling met evolocumab, naast statinetherapie, de minimale FCT vergrootte en de maximale lipidenboog verminderde na 50 weken vergeleken met placebo bij deelnemers met Lp(a) ≥125 nmol/l bij studieaanvang, maar niet bij degenen met een lagere Lp(a)-waarde. De auteurs wijzen erop dat “bij patiënten met een verhoogde Lp(a)-waarde het duidelijke gunstige effect van evolocumab ten opzichte van statinemonotherapie niet te wijten was aan een groter absoluut effect van evolocumab in het verhogen van de minimale FCT en het verlagen van de maximale lipidenboog, maar eerder aan de beperkte respons op statinemonotherapie in deze subgroep”. En ze voegen hieraan toe: “Hoewel deze resultaten de mogelijke rol van Lp(a) benadrukken bij de bepaling van de respons op lipidenverlagende therapie, leggen ze geen oorzakelijk verband met de veranderlijkheid van plaques.”

Vind dit artikel online op Eur J Prev Cardiol.

Referenties

  1. Chandra S, Nagar S, Shukla A, Chaudhary G, Sharma A, Pradhan A, et al. Correlation of lipoprotein (a) levels and plaque morphology in very young acute coronary syndrome patients using optical coherence tomography. Indian Heart J 2022;74:357–362.
  2. Kato A, Kinoshita D, Nagata T, Asakura K, Katamine M, Katsura A, et al. Lipoprotein (a) levels and vulnerable characteristics in nonculprit plaque in patients with acute coronary syndrome. Int J Cardiol Heart Vasc 2022;43:101120.
  3. Niccoli G, Cin D, Scalone G, Panebianco M, Abbolito S, Cosentino N, et al. Lipoprotein (a) is related to coronary atherosclerotic burden and a vulnerable plaque phenotype in angiographically obstructive coronary artery disease. Atherosclerosis 2016;246:214–220.
  4. O’Donoghue ML, Fazio S, Giugliano RP, Stroes ESG, Kanevsky E, Gouni-Berthold I, et al. Lipoprotein(a), PCSK9 inhibition, and cardiovascular risk. Circulation 2019;139: 1483–1492.
  5. Szarek M, Bittner VA, Aylward P, Baccara-Dinet M, Bhatt DL, Diaz R, et al. Lipoprotein(a) lowering by alirocumab reduces the total burden of cardiovascular events independent of low-density lipoprotein cholesterol lowering: ODYSSEY OUTCOMES trial. Eur Heart J 2020;41:4245–4255.
  6. Nicholls SJ, Kataoka Y, Nissen SE, Prati F, Windecker S, Puri R, et al. Effect of evolocumab on coronary plaque phenotype and burden in statin-treated patients following myocardial infarction. JACC Cardiovasc Imaging 2022;15:1308–1321.
Registreren

We zijn blij te zien dat je geniet van CVGK…
maar wat dacht u van een meer gepersonaliseerde ervaring?

Registreer gratis