Prognostische waarde van vroege NT-proBNP-verandering bij acuut HF varieert binnen LVEF-spectrum
In een retrospectieve analyse was een grotere vroege NT-proBNP-reductie geassocieerd met een lager risico op totale sterfte, cardiovasculaire sterfte en herhaalde HF-ziekenhuisopnamen bij patiënten met acuut HF, maar niet bij degenen met LVEF ≥65%.
Deze samenvatting is gebaseerd op de publicatie van Núñez-Marín G, de la Espriella R, Llàcer P, et al. - Prognostic value of early changes in NT-proBNP across left ventricular ejection fraction status in acute heart failure. Eur J Heart Fail. 2026 Jan 21:xuag018 [Online ahead of print]. doi: 10.1093/ejhf/xuag018
Introductie en methoden
Achtergrond
Bij patiënten met acuut HF (AHF) gaat een grotere daling van NT-proBNP gepaard met betere uitkomsten over het gehele LVEF-spectrum, hoewel dit in mindere mate geldt voor HFpEF [1-4]. In de HFpEF-populatie vormen HF-patiënten met een bovennormale LVEF (HFsnEF; doorgaans gedefinieerd als LVEF ≥65%) mogelijk een aparte pathofysiologische subgroep [5-8].
Doel van de studie
Het doel van de studie was om de prognostische waarde te evalueren van een vroege NT-proBNP-verandering bij patiënten die in het ziekenhuis waren opgenomen voor AHF, voor verschillende LVEF-categorieën.
Methoden
In een retrospectieve analyse van een lopend AHF-register dat werd uitgevoerd in drie tertiaire centra in Spanje, werden 3276 opeenvolgende patiënten die in de periode 2008-2021 in het ziekenhuis waren opgenomen voor AHF (zowel nieuw ontstane als gedecompenseerde chronisch HF) geïncludeerd. Bij aanvang van de studie hadden 1190 patiënten (36,3%) een LVEF ≤40%, 436 (13,3%) hadden een LVEF van 41-49%, 1031 (31,5%) hadden een LVEF van 50-64% en 619 (18,9%) hadden een LVEF ≥65%. De NT-proBNP-plasmawaarde werd bij opname en binnen 48-72 uur gemeten, naar keuze van de behandelend arts. De mediane follow-upduur was 1,65 jaar (IQR: 0,40-2,66).
Uitkomstmaten
De primaire uitkomstmaten waren totale sterfte, cardiovasculaire sterfte en herhaalde ziekenhuisopname voor HF.
Belangrijkste resultaten
- De cumulatieve incidentie van totale sterfte was lager bij patiënten die een vroege daling van de NT-proBNP-waarde vanaf de studieaanvang tot de tweede meting vertoonden van ≥30% (n=1058) dan bij patiënten met een NT-proBNP-daling <30% (n=2218) (12,8 per 100 persoonsjaren; 95%BI: 11,6-14,1 vs. 20,0 per 100 persoonsjaren; 95%BI: 18,8-21,2; P<0,001).
- Een soortgelijk patroon werd waargenomen voor de incidentie van cardiovasculaire sterfte en die van herhaalde HF-ziekenhuisopnamen (beide P<0,001).
- Wanneer de relatieve NT-proBNP-verandering als continue variabele werd geanalyseerd, bleek dat een grotere NT-proBNP-daling – na multivariabele correctie – een sterke relatie te hebben met een lager risico op totale sterfte bij patiënten met LVEF ≤40% (P<0,001). Dit verband was zwakker bij patiënten met een LVEF van 41-49% (P=0,014) en bij degenen met een LVEF van 50-64% (P=0,003) en was niet significant bij deelnemers met LVEF ≥65% (P=0,382; P voor interactie=0,022).
- Er werd ook een heterogene relatie gevonden van de relatieve NT-proBNP-verandering met cardiovasculaire sterfte (P voor interactie=0,031) en met herhaalde HF-ziekenhuisopnamen (P voor interactie=0,002), variërend van een sterke relatie bij patiënten met LVEF ≤40% (beide P<0,001) tot een niet-significant verband bij patiënten met LVEF ≥65% (beide P>0,05).
- Een soortgelijk patroon voor de relatie met de 3 uitkomsten werd gezien wanneer de relatieve NT-proBNP-verandering werd geanalyseerd als een dichotome variabele (≥30% vs. <30%).
Conclusie
Deze retrospectieve analyse van een observationeel Spaans multicentrisch cohort van patiënten die in het ziekenhuis waren opgenomen voor AHF, toonde dat een grotere vroege NT-proBNP-reductie onafhankelijk geassocieerd was met een lager risico op totale sterfte, cardiovasculaire sterfte en herhaalde HF-ziekenhuisopnamen, met name bij degenen met LVEF ≤40%. De prognostische associatie nam geleidelijk af naarmate de LVEF toenam en was niet langer aanwezig bij patiënten met HFsnEF (d.w.z.: LVEF ≥65%).
De conclusie van de auteurs luidt: “Onze bevindingen waarschuwen tegen de uniforme toepassing van de NT-proBNP-waarde voor risicostratificatie over het gehele spectrum van AHF. [...] Door het aantonen van differentieel risicomarkergedrag bij een bovennormale EF onderstrepen deze gegevens de noodzaak om alternatieve prognostische markers te identificeren en te valideren die zijn afgestemd op deze subgroep én bieden ze informatie voor de voortdurende discussie over de vraag of HF met bovennormale EF een specifieke entiteit vormt binnen HFpEF.”
Referenties
- Bayés-Genís A, Lopez L, Zapico E, Cotes C, Santaló M, Ordonez-Llanos J, et al. NT-ProBNP reduction percentage during admission for acutely decompensated heart failure predicts long-term cardiovascular mortality. J Card Fail 2005;11:S3–8. https://doi.org/10.1016/j.cardfail.2005.04.006
- Bettencourt P, Azevedo A, Pimenta J, Friões F, Ferreira S, Ferreira A. N-terminal-pro-brain natriuretic peptide predicts outcome after hospital discharge in heart failure patients. Circulation 2004;110:2168–74. https://doi.org/10.1161/01.CIR.0000144310.04433.BE
- Stienen S, Salah K, Eurlings LWM, Bettencourt P, Pimenta JM, Metra M, et al. Challenging the two concepts in determining the appropriate pre-discharge N-terminal pro-brain natriuretic peptide treatment target in acute decompensated heart failure patients: absolute or relative discharge levels? Eur J Heart Fail 2015;17:936–44. https://doi.org/10.1002/ejhf.320
- Savarese G, Hage C, Orsini N, Dahlström U, Perrone-Filardi P, Rosano GMC, et al. Reductions in N-terminal pro-brain natriuretic peptide levels are associated with lower mortality and heart failure hospitalization rates in patients with heart failure with mid- range and preserved ejection fraction. Circ Heart Fail 2016;9:1–9. https://doi.org/10.1161/CIRCHEARTFAILURE.116.003105
- Landucci L, Faxén UL, Benson L, Rosano GMC, Dahlström U, Lund LH, et al. Characterizing heart failure across the Spectrum of the preserved ejection fraction: does heart failure with supranormal ejection fraction exist? Data from the Swedish heart failure registry. J Am Heart Assoc 2025;14:e037502. https://doi.org/10.1161/JAHA.124.037502
- Segev A, Ben Ishay RT, Metra M, Maor E, Freimark D, Younis A, et al. Heart failure with supranormal ejection fraction: clinical characteristics and outcomes compared to mildly reduced and preserved ejection fraction. Clin Res Cardiol 2025;114:665–75. https://doi.org/10.1007/s00392-025-02620-9
- Horiuchi Y, Asami M, Ide T, Yahagi K, Komiyama K, Yuzawa H, et al. Prevalence, characteristics and cardiovascular and non-cardiovascular outcomes in patients with heart failure with supra-normal ejection fraction: insight from the JROADHF study. Eur J Heart Fail 2023;25:989–98. https://doi.org/10.1002/ejhf.2895
- Santas E, de la Espriella R, Miñana G, Mollar A, Palau P, Núñez J. Small left ventricular end-diastolic dimensions identify patients with heart failure with supranormal left ventricular ejection fraction. Revista Española de Cardiología 2026;79:82–5. https://doi.org/10.1016/j.rec.2025.03.002
