Stoppen van langdurige bètablokkerbehandeling na MI bij patiënten met LVEF ≥40% heeft geen invloed op klinische uitkomsten
In SMART-DECISION bij stabiele patiënten met LVEF ≥40% en zonder HF die gedurende ≥1 jaar na een MI een bètablokker kregen, was staking van deze behandeling niet-inferieur aan continuering ervan wat betreft de samengestelde uitkomst van totale sterfte, recidief-MI of HF-ziekenhuisopname.
Deze samenvatting is gebaseerd op de publicatie van Choi KH, Kang D, Kim W, et al. - Discontinuation of Beta-Blocker Therapy after Myocardial Infarction. N Engl J Med. 2026 Apr 2;394(13):1302-1312. doi: 10.1056/NEJMoa2601005
Introductie en methoden
Achtergrond
Na een acuut MI worden veel patiënten jarenlang behandeld met een bètablokker [1,2]. De effecten van langdurige bètablokkerbehandeling kunnen echter variëren, afhankelijk van de LV-functie [3-8].
Doel van de studie
Het doel van de studie was te onderzoeken of stopzetting van langdurige bètablokkertherapie niet-inferieur is aan voortzetting ervan wat betreft belangrijke klinische uitkomsten bij patiënten die stabiel zijn na een MI en die geen LV-systolische disfunctie of HF hebben.
Methoden
De SMART-DECISION-studie (SMart Angioplasty Research Team: DEcision on Medical Therapy in Patients with Coronary Artery DIsease or Structural Heart Disease Undergoing InterventiON) was een multicentrische non-inferioriteits-RCT (fase 4-studie) met open label die werd uitgevoerd in Zuid-Korea. De onderzoekers randomiseerden 2540 stabiele post-MI-patiënten met een LVEF ≥40% en zonder HF die gedurende ≥1 jaar na het MI een bètablokker hadden gekregen, naar het stoppen of continueren van de bètablokkertherapie. De mediane tijd tussen het index-MI en de randomisatie was 4,7 jaar (IQR: 2,4-8,4), en de mediane follow-upduur was 3,1 jaar (IQR: 2,5-3,5).
Uitkomstmaten
De primaire uitkomstmaat was een vastgelegde samengestelde uitkomst van totale sterfte, recidiverend MI of HF-ziekenhuisopname. Belangrijke secundaire uitkomstmaten waren onder meer de individuele componenten van de primaire uitkomstmaat, cardiovasculaire sterfte, de verandering in LVEF, en kwaliteit van leven, zoals beoordeeld met het 29-item Patient-Reported Outcomes Measurement Information System.
Belangrijkste resultaten
- Tijdens de follow-up trad de primaire uitkomstmaat op bij 58 van de 1246 patiënten (4-jaars-Kaplan-Meier-schatting: 7,2%) in de groep waarin de bètablokker werd gestopt en bij 74 van de 1294 patiënten (4-jaars-Kaplan-Meier-schatting: 9,0%) in de groep met continuering van de behandeling (risicoverschil: −1,8 procentpunten; 95%BI: −5,5 tot 1,9; HR: 0,80; 95%BI: 0,57-1,13). Dit voldeed aan de vooraf gespecificeerde non-inferioriteitsmarge voor de bovengrens van het 95%BI van 1,4 (P=0,001 voor non-inferioriteit).
- Wat betreft belangrijke secundaire uitkomstmaten, waren de 4-jaars-Kaplan-Meier-schattingen in de stop- en continueringsgroep:
- voor totale sterfte: 2,4% versus 3,4% (HR: 0,71; 95%BI: 0,43-1,16);
- voor recidiverend MI: 2,3% versus 2,6% (HR: 1,11; 95%BI: 0,63-1,96);
- voor HF-ziekenhuisopname: 2,2% versus 2,1% (HR: 0,82; 95%BI: 0,42-1,57).
- Subgroepanalyse toonde in het algemeen consistente resultaten in subgroepen die waren gestratificeerd naar onder andere leeftijd, geslacht of LVEF.
- De frequentie van ernstige nadelige events was vergelijkbaar in de stop- en continueringsgroep (11,5% vs. 13,4%), evenals de incidentie van ernstige cardiale events (5,7% vs. 6,1%).
Conclusie
In de SMART-DECISION-studie onder stabiele post-MI-patiënten met een LVEF ≥40% en zonder HF die gedurende ≥1 jaar met een bètablokker werden behandeld, was stopzetting van de bètablokkertherapie niet-inferieur aan gecontinueerde therapie wat betreft de samengestelde uitkomst van totale sterfte, recidiverend MI of HF-ziekenhuisopname.
De auteurs verwijzen uitgebreid naar de eerder gerapporteerde resultaten van de Franse ABYSS-studie (Assessment of Beta-Blocker Interruption 1 Year after an Uncomplicated Myocardial Infarction on Safety and Symptomatic Cardiac Events Requiring Hospitalization), waarin interruptie van langdurige bètablokkertherapie na een MI werd vergeleken met voortzetting ervan [9]. Hieruit bleek geen non-inferioriteit van de interruptie van de bètablokkerbehandeling, maar volgens Choi et al. “kan de schijnbare discrepantie in de resultaten tussen de ABYSS- en SMART-DECISION-studies worden verklaard door belangrijke verschillen in de opzet van de studies en de klinische context.”
Referenties
- Hwang D, Lee JM, Kim HK, et al. Prognostic impact of β-blocker dose after acute myocardial infarction. Circ J 2019; 83: 410-7.
- Kim J, Kang D, Park H, et al. Long-term β-blocker therapy and clinical outcomes after acute myocardial infarction in patients without heart failure: nationwide cohort study. Eur Heart J 2020; 41: 3521-9.
- Yndigegn T, Lindahl B, Mars K, et al. Beta-blockers after myocardial infarction and preserved ejection fraction. N Engl J Med 2024; 390: 1372-81.
- Ibanez B, Latini R, Rossello X, et al. Beta-blockers after myocardial infarction without reduced ejection fraction. N Engl J Med 2025; 393: 1889-900.
- Munkhaugen J, Kristensen AMD, Halvorsen S, et al. Beta-blockers after myocardial infarction in patients without heart failure. N Engl J Med 2025; 393: 1901-11.
- Watanabe H, Ozasa N, Morimoto T, et al. Long-term use of carvedilol in patients with ST-segment elevation myocardial infarction treated with primary percutaneous coronary intervention. PLoS One 2018; 13(8): e0199347.
- Kristensen AMD, Rossello X, Atar D, et al. Beta-blockers after myocardial infarction with normal ejection fraction. N Engl J Med 2025; 394: 540-50.
- Rossello X, Prescott EIB, Kristensen AMD, et al. β Blockers after myocardial infarction with mildly reduced ejection fraction: an individual patient data meta-analysis of randomised controlled trials. Lancet 2025; 406: 1128-37.
- Silvain J, Cayla G, Ferrari E, et al. Beta-blocker interruption or continuation after myocardial infarction. N Engl J Med 2024; 391: 1277-86.
