Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

NHC | Hypertensie bij de alleroudsten

Prof.dr. Majon Muller

Hypertensie komt veel voor bij ouderen: van de mensen ouder dan 75 jaar heeft 78% hypertensie. Bij ouderen is de DBP vaak lager, ze zijn langer blootgesteld aan hogere BP’s en hebben atherosclerose. Deze ‘survivors’ zijn gevoeliger voor hypotensie. Naarmate mensen ouder worden stijgt de SBP en daalt de DBP; dit komt door de stijfheid van de vaten (12, 13). Een publicatie van Delgado over het beloop van BP in de laatste levensfase toonde een daling van SBP (14). Toch is hypertensie een risicofactor in ouderen; met het stijgen van SBP stijgt ook de mortaliteit bij ouderen. Kleinere studies (zoals de Leiden 85-plus studie) lieten hiertussen echter geen verband zien (15-17); een verklaring kan zijn dat er een associatie is tussen daling in SBP en verhoging van co-morbiditeit bij ouderen (14).

Een andere verklaring kan zijn dat onderscheid gemaakt moet worden tussen vitale en kwetsbare ouderen (18). De biologische leeftijd van een individu wordt bepaald door blootstelling aan endogene en exogene risicofactoren. Onderscheid tussen vitaal en kwetsbaar kan worden gemaakt op grond van de volgende factoren: loopsnelheid, handknijpkracht, ongewenst gewichtsverlies, vermoeidheid, afname activiteit en cognitie. De Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) studie bestudeerde de associatie tussen BP en mortaliteit en de rol van de biologische en chronologische leeftijd (19). In deze studie werd loopsnelheid bepaald en een geheugentest afgenomen. In de kwetsbare groep was een lagere DBP geassocieerd met een slechtere survival en in de vitale groep was een lagere DBP juist geassocieerd met een betere survival.

De Leiden 85-plus studie liet dezelfde resultaten zien; in kwetsbare ouderen was een lage BP geassocieerd met een verhoogd beroerterisico (17, 20). In de SMART studie liet de grafiek van BP uitgezet tegen survival een J-curve zien in patiënten met manifeste vasculaire ziekten (21), evenals in de INVEST trial (22). Ook waren er meer CV events in patiënten met manifest vaatlijden bij een lagere BP, zo bleek uit de PROSPER studie (23).

Muller vroeg zich af wat deze bevindingen voor de behandeling van kwetsbare vs. vitale ouderen betekent. De resultaten van de HYVET en SPRINT trials kunnenhierin wellicht bijdragen. In een subanalyse van de SPRINT trial, waarin gekeken werd naar individuen >75 jaar, met onderscheid tussen vitaal en kwetsbaar, liet een intensieve behandeling van BP gunstigere effecten zien op CV uitkomsten dan normale behandeling, ongeacht fitheid (24). Er was wel meer hypotensie in de intensief behandelde groep, maar dit resulteerde niet in een hoger valrisico. Er waren geen veranderingen in loopsnelheid en ook geen verschil in kwaliteit van leven tussen de twee behandelarmen (25, 26). Het is daarom nog niet duidelijk of een lagere BP beter is voor alle ouderen. Ook moet beter gekeken worden naar de exclusiecriteria in de SPRINT studie, omdat valrisico en syncope veel lager waren in de studiepopulatie (27).

Het CVRM addendum adviseert om een streefwaarde <150 mmHg aan te houden voor ouderen en kwetsbare ouderen en medicatie voorzichtig te titreren. De AHA/ACC guidelines stellen voor om SBP <130 mmHg te houden. Muller zelf adviseert om een streefwaarde <140-150 mmHg aan te houden voor vitale ouderen en indien mogelijk lager. Bij kwetsbare ouderen geldt <150 mmHg en moet de DBP goed in de gaten worden gehouden.

Referenties

Toon referenties

Bekijk hier de presentatie Bekijk hier de slides van de presentatie