Cardiovasculaire Geneeskunde.nl

Samenvatting | BEST PRACTICES: implementatie door samenwerking - ervaringen uit Deventer

Dr. Dirk J.A. Lok & Dian Pruijsers-Lamers

Dirk Lok trapte af met de ervaringen in Deventer. De HF-polikliniek is in 1999 gestart. Tijdens het opzetten werd onderzoek gedaan of patiënten gezondheidswinst boekten door de nieuwe HF-poli, ten aanzien van kwaliteit en duur van leven.3 Sinds 2000 is Dian Pruijsers hier werkzaam als gecertificeerd verpleegkundig specialist Cardiologie, en inmiddels is het team uitgebreid. Voldoende mankracht is een voorwaarde voor het kunnen bieden van goede zorg, is de eerste tip van Lok. In Deventer zijn twee cardiologen met aandachtsgebied HF: Dirk Lok en Jan van Wijngaarden, hoewel zij zich niet exclusief bezighouden met hartfalen. Zij zien ook andere patiënten, en cardiologen met een ander aandachtsgebied spreken ook HF-patiënten, o.a. op de polikliniek.

HF-patiënten komen binnen via de (algemene) polikliniek Cardiologie, uit de kliniek, en soms vanaf de huisarts, hoewel ze dan formeel eerst via de algemeen cardioloog moeten, om administratieve redenen. Alle klinische patiënten met HF komen uiteindelijk op de HF-poli. De zorg is zo ingericht dat ook als een patiënt door een niet-gespecialiseerde cardioloog is gezien tijdens opname, deze wordt besproken in het multidisciplinair overleg (MDO) en vervolgens na ontslag wordt teruggezien op de HF-poli. In Deventer vinden twee MDO-momenten per week plaats: een eerste met de verpleegafdeling, waarbij de zaalarts, de co-assistenten en de verpleegkundigen van de revalidatiepoli, de HF-poli en de atriumfibrillerenpoli aanwezig zijn. In dat overleg wordt sturing gegeven ten aanzien van waar de patiënt nazorg gaat ontvangen. Het andere MDO is met de twee HF-cardiologen, twee verpleegkundig consulenten van de HF-poli en Pruijsers als verpleegkundig specialist. In het licht van polyfarmacie zou het nuttig zijn dat ook een geriater aanschuift bij dit overleg, maar in Deventer bleek dit in het verleden niet haalbaar. Tijdens het laatste MDO wordt de medicatie doorgenomen, de oorzaak van het hartfalen besproken, en of er een interventie gedaan moet worden. De HF-cardiologen hebben hierbij het volledige vertrouwen van de andere cardiologen om de leiding te nemen in de nodige behandelingen, en uiteraard is overleg altijd mogelijk.

Een vraag uit de zaal betrof of eHealth applicaties een rol kunnen spelen in de zorg voor HF-patiënten, en zo ja, wat het bewijs hiervoor is. Lok kent geen resultaten die laten zien dat je er langer door leeft of langer uit het ziekenhuis blijft. Toch voelt de beroepsgroep dat ze er iets mee moet, omdat er behoefte bestaat bij patiënten. Het lijkt Lok in elk geval belangrijk dat de data van een eHealth-systeem gekoppeld worden aan het EPD, maar voor de meeste systemen geldt dit niet. Hij is de mogelijkheid aan het onderzoeken om een systeem dat wel gekoppeld kan worden, naar Nederland te halen. Over het algemeen is hij gereserveerd, gezien de tijd en het geld dat het kan gaan kosten om op valse alerts te reageren. Patiënten schijnen eHealth-toepassingen wel prettig te vinden, alleen moet daarbij de kanttekening gemaakt worden dat het mogelijk is dat alleen patiënten die toch al enthousiast waren, meedoen aan onderzoeken naar de ervaringen met eHealth.

Dian Pruijsers vervolgde met specifieke ervaringen met het omzetten van patiënten naar behandeling met sacubitril/valsartan. Sinds de start van dit proces in de zomer van 2016, zijn er zo’n 75 patiënten omgezet. Pruijsers liet data zien van de eerste 70 patiënten. De eigenschappen van deze patiënten komen aardig overeen met de patiënten in de PARADIGM-HF studie, behalve dat minder patiënten diabetes hebben (23% vs. 35% in PARADIGM), en meer een ICD (27% vs. 15%) of CRT-D (21% vs. 7%) hebben. De gemiddelde leeftijd van de HF-patiënten op sacubitril/valsartan in Deventer is 68 (range: 27-87, in PARADIGM: 63.8 ± 11.5 jaar).

Als startdosering wordt doorgaans een iets lagere dosering gekozen dan de dosering van de maximaal getitreerde ACE-remmer. Er wordt dus nooit gestart met de doeldosering van tweemaal 97/103 mg per dag. Van de 70 patiënten zijn 37 (53%) na titratie op deze dosering uitgekomen. 23 patiënten krijgen (nog) niet de maximale dosering: bij zestien personen is dat omdat zij nog in de titratiefase zitten. Drie patiënten (4%) zijn overleden en zeven (10%) zijn gestopt met behandeling vanwege bijwerkingen, zoals hypotensie/duizeligheid, moeheid, hoofdpijn, jeuk en hyperkaliëmie. Om een indruk te krijgen hoe het met de patiënten gaat, is gekeken naar NYHA klasse-verdeling, voor en tijdens gebruik van sacubitril/valsartan. Hoewel dit subjectief is en er kanttekeningen te plaatsen zijn bij deze analyse, is de groep met NYHA II, en in mindere mate ook NYHA I, groter tijdens behandeling met ARNi, terwijl minder patiënten NYHA III hebben (en de ene patiënt met NYHA IV voorafgaand aan behandeling niet meer in deze klasse zit tijdens behandeling).

Referenties

Toon referenties

Download de Meeting Impression Lees de ervaringen uit Nijmegen